Йова 36
Kulish and Puluj Bible (1905)Translation
Kulish and Puluj Bible (1905)
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
1І провадив Еліуй річ дальше й говорив:
1Vierde rede: mag de mens God ter verantwoording roepen? Elihoe vervolgde, en sprak:
2Зажди ще трохи; я покажу тобі, що маю ще дещо про Бога сказати.
2Heb nog een weinig geduld, en ik zal u onderrichten, Want er valt nog genoeg ten gunste van de Godheid te zeggen;
3Почну розслїди мої здалека й стану в оборонї справедливостї Творця мого.
3Ik wil mijn kennis tot het uiterste voeren, Om mijn Schepper te rechtvaardigen.
4Льжи бо певно нема в слові мойму; явлюсь тобі в повнотї знання мого.
4Neen, mijn woorden liegen niet: Ge hebt met iemand te doen, die het eerlijk meent.
5Знай, Бог могучий, однакже не гордить сильним, що кріпкий серцем.
5Ja, God is groot: Hij veracht den rechtschapene niet;
6Але він і не піддержує безбожників і дає придавленим, що їм належить.
6Machtig: Hij laat den boze niet leven! Hij verschaft aan de verdrukten hun recht,
7Не одвертає очей він од людей правих, і на все саджає їх поруч із царями на престолї й приводить до поваги.
7Van de rechtvaardigen wendt Hij zijn ogen niet af; Hij zet ze bij koningen op de troon, Hoog plaatst Hij hun zetel voor eeuwig!
8Як же инші в кайданах і звязані повороззєм нужди —
8Maar worden zij in boeien geklonken, In koorden van ellende gevangen,
9Він їх дїла їм покаже й гріхи їх превеликі;
9Dan brengt Hij hun daardoor hun gedrag onder het oog, En hun zonden uit hoogmoed ontstaan;
10Та відтулює їм ухо, щоб розуміли, й велить завернутись од їх ледачих учинків.
10Zo opent Hij hun oor ter belering, En vermaant ze, zich van hun ongerechtigheid te bekeren.
11І, як послухають та стануть йому служити, то й провожати муть днї свої в щастї, і лїта свої в радощах;
11Wanneer ze dan luisteren, en Hem weer dienen, Dan slijten ze hun dagen in geluk, Hun jaren in weelde;
12Як же не послухають, — згинуть од (Божого) стрілу й визівнуть духа в слїпотї своїй.
12Maar wanneer ze niet willen horen, Dan gaan ze heen naar het graf, En komen om door onverstand.
13Лукаві же — вони зрушують серцем своїм гнїв (Божий); вони й не кличуть до його, коли закує їх в кайдани;
13En de verstokten, die er toornig om worden, En niet smeken, als Hij ze bindt:
14Тим і мруть вони в молодощах, а життє їх із блудниками.
14Zij sterven al in hun jeugd, Hun leven vliedt heen in de jonge jaren.
15Бідного ж він рятує з біди його, і в тїснотї відтулює ухо його.
15Hij redt dus den ellendige door zijn ellende, En opent zijn oor door zijn nood!
16Викликав би й тебе він з тїсноти на місце просторе, де нема притиску, й на столї твойму страва повна була б товщі.
16Zo trekt Hij ook u uit de muil van ellende Inplaats daarvan zal het onbekrompen overvloed zijn, En het genot van een dis, met vette spijzen beladen.
17Да в тебе повно розсудів безбожних, а суд і присуд — укупі.
17Maar oordeelt gij geheel als een boze zijn gericht zal u treffen,
18О, нехай не вдарить тебе гнїв Божий карою! І найбільший викуп не спас би тебе.
18Pas dus op, dat de wrevel u geen straf komt brengen, Waarvan de grootste losprijs u niet zou ontslaan;
19Чи ж дасть бо він яку цїну твому багацтву? Нї, — анї золотові, анї нїякому скарбові.
19Uw smeken tot Hem in de nood niets bereiken Al doet ge het ook uit al uw kracht.
20О, не бажай тієї ночі, коли й народи з своїх місць зникають!
20Laat de dwaasheid u toch niet bedriegen Om u te verheffen met hen, die wijs willen zijn;
21Остерегайсь, не нахиляйсь до безбожностї, яку ти волїєш, нїж тихо страдати.
21Wacht u ervoor, u tot de zonde te wenden, Want hierdoor juist werdt gij door ellende bezocht!
22Глянь, Бог у силї величен, і де такий, як він, законодавець?
22Zie, God is groot door zijn kracht: Wie is heerser als Hij?
23Хто йому вкаже дорогу його; хто скаже: Ти чиниш несправедливість?
23Wie schrijft Hem zijn weg voor, Wie zegt: Gij handelt verkeerd?
24Памятай на те, щоб його дїла хвалити, що їх люде видять.
24Denk er aan, dat ook gij zijn daden verheft, Die de stervelingen moeten bezingen,
25Всї бо люде можуть їх бачити; чоловік може їх і надалеки постерігати.
25Die iedere mens moet overwegen, Ieder mensenkind van verre beschouwt.
26Ось, Бог великий й годї нам його поняти; лїт його нам не злїчити.
26Zie, God is groot: wij begrijpen Hem niet, Het getal van zijn jaren is zelfs niet te schatten!
27Краплями збірає він води, а вони силою виливаються дощем;
27Hij trekt uit de zee de druppels omhoog, Vervluchtigt de regen tot zijn nevel,
28Ринуть вони із хмар, і густо лиються на людей.
28Die de wolken naar beneden doet stromen, En op alle mensen doet storten;
29А хто може зміркувати, як за далеко облаки сягають, або тріск у шатрі його?
29Wie begrijpt de sprei van de wolken En de gedaante van zijn tent?
30А ось, він обливає його сьвітлом своїм і покриває дно моря.
30Zie, Hij spreidt zijn nevel uit over de zee, En houdt haar kolken bedekt.
31Звідси судить він народи, звідси дає багату поживу.
31Want daarmee spijst Hij de volken En geeft Hij voedsel in overvloed.
32В жменях держить блискавицю й приказує їй, кого вдарити.
32In zijn handen verbergt Hij de bliksem, En zendt hem af op zijn doel;
33Грім дає знати про неї, та й скот відчуває, що дїєсь.
33Zijn strijdkreet kondigt Hem aan, Zijn woede ontketent de storm!
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.