ΙΩΒ
Chapter 36
Septuagint (Brenton Gree…
vs Petrus Canisius Bi…
Aa
Text size
Line width
Verse numbers
Septuagint (Brenton Greek text, with Apocrypha)
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
1Προσθεὶς δὲ ἔτι Ἐλιοὺς, λέγει,
1Vierde rede: mag de mens God ter verantwoording roepen? Elihoe vervolgde, en sprak:
2Μεῖνόν με μικρὸν ἔτι, ἵνα διδάξω σε· ἔτι γὰρ ἐν ἐμοί ἐστι λέξις.
2Heb nog een weinig geduld, en ik zal u onderrichten, Want er valt nog genoeg ten gunste van de Godheid te zeggen;
3Ἀναλαβὼν τὴν ἐπιστήμην μου μακράν, ἔργοις δέ μου δίκαια ἐρῶ ἐπʼ ἀληθείας,
3Ik wil mijn kennis tot het uiterste voeren, Om mijn Schepper te rechtvaardigen.
4καὶ οὐκ ἄδικα ῥήματα ἀδίκως συνιεῖς.
4Neen, mijn woorden liegen niet: Ge hebt met iemand te doen, die het eerlijk meent.
5Γίνωσκε δὲ, ὅτι ὁ Κύριος οὐ μὴ ἀποποιήσηται τὸν ἄκακον, δυνατὸς ἰσχύϊ καρδίας
5Ja, God is groot: Hij veracht den rechtschapene niet;
6ἀσεβῆ οὐ μὴ ζωοποιήσῃ, καὶ κρίμα πτωχῶν δώσει.
6Machtig: Hij laat den boze niet leven! Hij verschaft aan de verdrukten hun recht,
7Οὐκ ἀφελεῖ ἀπὸ δικαίου ὀφθαλμοὺς αὐτοῦ, καὶ μετὰ βασιλέων εἰς θρόνον, καὶ καθιεῖ αὐτοὺς εἰς νῖκος, καὶ ὑψωθήσονται.
7Van de rechtvaardigen wendt Hij zijn ogen niet af; Hij zet ze bij koningen op de troon, Hoog plaatst Hij hun zetel voor eeuwig!
8Καὶ οἱ πεπεδημένοι ἐν χειροπέδαις, συσχεθήσονται ἐν σχοινίοις πενίας.
8Maar worden zij in boeien geklonken, In koorden van ellende gevangen,
9Καὶ ἀναγγελεῖ αὐτοῖς τὰ ἔργα αὐτῶν, καὶ τὰ παραπτώματα αὐτῶν, ὅτι ἰσχύσουσιν.
9Dan brengt Hij hun daardoor hun gedrag onder het oog, En hun zonden uit hoogmoed ontstaan;
10Ἀλλὰ τοῦ δικαίου εἰσακούσεται· καὶ εἶπεν ὅτι ἐπιστραφήσονται ἐξ ἀδικίας.
10Zo opent Hij hun oor ter belering, En vermaant ze, zich van hun ongerechtigheid te bekeren.
11Ἐὰν ἀκούσωσι, καὶ δουλεύσωσι, συντελέσουσι τὰς ἡμέρας αὐτῶν ἐν ἀγαθοῖς, καὶ τὰ ἔτη αὐτῶν ἐν εὐπρεπείαις.
11Wanneer ze dan luisteren, en Hem weer dienen, Dan slijten ze hun dagen in geluk, Hun jaren in weelde;
12Ἀσεβεῖς δὲ οὐ διασώζει, παρὰ τὸ μὴ βούλεσθαι αὐτοὺς εἰδέναι τὸν Κύριον, καὶ διότι νουθετούμενοι ἀνήκοοι ἦσαν.
12Maar wanneer ze niet willen horen, Dan gaan ze heen naar het graf, En komen om door onverstand.
13Καὶ ὑποκριταὶ καρδίᾳ τάξουσι θυμόν, οὐ βοήσονται, ὅτι ἔδησεν αὐτούς.
13En de verstokten, die er toornig om worden, En niet smeken, als Hij ze bindt:
14Ἀποθάνοι τοίνυν ἐν νεότητι ἡ ψυχὴ αὐτῶν, ἡ δὲ ζωὴ αὐτῶν τιτρωσκομένη ὑπὸ ἀγγέλων,
14Zij sterven al in hun jeugd, Hun leven vliedt heen in de jonge jaren.
15ἀνθʼ ὧν ἔθλιψαν ἀσθενῆ καὶ ἀδύνατον, κρίμα δὲ πραέων ἐκθήσει.
15Hij redt dus den ellendige door zijn ellende, En opent zijn oor door zijn nood!
16Καὶ προσεπιηπάτησέ σε ἐκ στόματος ἐχθροῦ, ἄβυσσος κατάχυσις ὑποκάτω αὐτῆς, καὶ κατέβη τράπεζά σου πλήρης πιότητος.
16Zo trekt Hij ook u uit de muil van ellende Inplaats daarvan zal het onbekrompen overvloed zijn, En het genot van een dis, met vette spijzen beladen.
17Οὐχ ὑστερήσει δὲ ἀπὸ δικαίων κρίμα,
17Maar oordeelt gij geheel als een boze zijn gericht zal u treffen,
18θυμὸς δὲ ἐπʼ ἀσεβεῖς ἔσται, διʼ ἀσέβειαν δώρων ὧν ἐδέχοντο ἐπʼ ἀδικίαις.
18Pas dus op, dat de wrevel u geen straf komt brengen, Waarvan de grootste losprijs u niet zou ontslaan;
19Μή σε ἐκκλινάτω ἑκὼν ὁ νοῦς δεήσεως ἐν ἀνάγκῃ ὄντων ἀδυνάτων,
19Uw smeken tot Hem in de nood niets bereiken Al doet ge het ook uit al uw kracht.
20καὶ πάντας τοὺς κραταιοῦντας ἰσχὺν μὴ ἐξελκύσῃς τὴν νύκτα, τοῦ ἀναβῆναι λαοὺς ἀντʼ αὐτῶν,
20Laat de dwaasheid u toch niet bedriegen Om u te verheffen met hen, die wijs willen zijn;
21ἀλλὰ φύλαξαι μὴ πράξῃς ἄτοκα· ἐπὶ τοὺτων γὰρ ἐξείλω ἀπὸ πτωχείας.
21Wacht u ervoor, u tot de zonde te wenden, Want hierdoor juist werdt gij door ellende bezocht!
22Ἰδοὺ ὁ ἰσχυρὸς κραταιώσει ἐν ἰσχύι αὐτοῦ· τίς γάρ ἐστι κατʼ αὐτὸν δυνάστης;
22Zie, God is groot door zijn kracht: Wie is heerser als Hij?
23Τίς δέ ἐστιν ὁ ἐτάζων αὐτοῦ τὰ ἔργα; ἢ τίς ὁ εἰπὼν, ἔπραξεν ἄδικα;
23Wie schrijft Hem zijn weg voor, Wie zegt: Gij handelt verkeerd?
24Μνήσθητι, ὅτι μεγάλα ἐστὶν αὐτοῦ τὰ ἔργα, ὧν ἦρξαν ἄνδρες.
24Denk er aan, dat ook gij zijn daden verheft, Die de stervelingen moeten bezingen,
25Πᾶς ἄνθρωπος εἶδεν ἐν ἑαυτῷ, ὅσοι τιτρωσκόμενοί εἰσι βροτοί.
25Die iedere mens moet overwegen, Ieder mensenkind van verre beschouwt.
26Ἰδοὺ ὁ ἰσχυρὸς πολύς, καὶ οὐ γνωσόμεθα· ἀριθμὸς ἐτῶν αὐτοῦ καὶ ἀπέραντος.
26Zie, God is groot: wij begrijpen Hem niet, Het getal van zijn jaren is zelfs niet te schatten!
27Ἀριθμηταὶ δὲ αὐτῷ σταγόνες ὑετοῦ, καὶ ἐπιχυθήσονται ὑετῷ εἰς νεφέλην.
27Hij trekt uit de zee de druppels omhoog, Vervluchtigt de regen tot zijn nevel,
28Ῥυήσονται παλαιώματα, ἐσκίασε δὲ νέφη ἐπὶ ἀμυθήτῳ βροτῷ· ὥραν ἔθετο κτήνεσιν, οἴδασι δὲ κοίτης τάξιν· ἐπὶ τούτοις πᾶσιν οὐκ ἐξίσταταί σου ἡ διάνοια, οὐδὲ διαλλάσσεταί σου ἡ καρδία ἀπὸ σώματος.
28Die de wolken naar beneden doet stromen, En op alle mensen doet storten;
29Καὶ ἐὰν συνῇ ἐπεκτάσεις νεφέλης, ἰσότητα σκηνῆς αὐτοῦ,
29Wie begrijpt de sprei van de wolken En de gedaante van zijn tent?
30ἰδοὺ ἐκτενεῖ ἐπʼ αὐτὸν ἠδὼ, καὶ ῥιζώματα τῆς θαλάσσης ἐκάλυψεν.
30Zie, Hij spreidt zijn nevel uit over de zee, En houdt haar kolken bedekt.
31Ἐν γὰρ αὐτοῖς κρινεῖ λαούς, δώσει τροφὴν τῷ ἰσχύοντι.
31Want daarmee spijst Hij de volken En geeft Hij voedsel in overvloed.
32Ἐπὶ χειρῶν ἐκάλυψε φῶς, καὶ ἐνετείλατο περὶ αὐτῆς ἐν ἀπαντῶντι.
32In zijn handen verbergt Hij de bliksem, En zendt hem af op zijn doel;
33Ἀναγγελεῖ περὶ αὐτοῦ φίλον αὐτοῦ Κύριος, κτῆσι καὶ περὶ ἀδικίας.
33Zijn strijdkreet kondigt Hem aan, Zijn woede ontketent de storm!

Tip: use the ← and → keys to turn chapters.