Hiob
Chapter 36
Lutherbibel 1912
vs Petrus Canisius Bi…
Aa
Text size
Line width
Verse numbers

Hiob 36

Lutherbibel 1912Translation
Lutherbibel 1912
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
1Elihu redet weiter und sprach:
1Vierde rede: mag de mens God ter verantwoording roepen? Elihoe vervolgde, en sprak:
2Harre mir noch ein wenig, ich will dir's zeigen; denn ich habe noch von Gottes wegen etwas zu sagen.
2Heb nog een weinig geduld, en ik zal u onderrichten, Want er valt nog genoeg ten gunste van de Godheid te zeggen;
3Ich will mein Wissen weither holen und beweisen, daß mein Schöpfer recht habe.
3Ik wil mijn kennis tot het uiterste voeren, Om mijn Schepper te rechtvaardigen.
4Meine Reden sollen ohne Zweifel nicht falsch sein; mein Verstand soll ohne Tadel vor dir sein.
4Neen, mijn woorden liegen niet: Ge hebt met iemand te doen, die het eerlijk meent.
5Siehe, Gott ist mächtig, und verachtet doch niemand; er ist mächtig von Kraft des Herzens.
5Ja, God is groot: Hij veracht den rechtschapene niet;
6Den Gottlosen erhält er nicht, sondern hilft dem Elenden zum Recht.
6Machtig: Hij laat den boze niet leven! Hij verschaft aan de verdrukten hun recht,
7Er wendet seine Augen nicht von dem Gerechten; sondern mit Königen auf dem Thron läßt er sie sitzen immerdar, daß sie hoch bleiben.
7Van de rechtvaardigen wendt Hij zijn ogen niet af; Hij zet ze bij koningen op de troon, Hoog plaatst Hij hun zetel voor eeuwig!
8Und wenn sie gefangen blieben in Stöcken und elend gebunden mit Stricken,
8Maar worden zij in boeien geklonken, In koorden van ellende gevangen,
9so verkündigt er ihnen, was sie getan haben, und ihre Untugenden, daß sie sich überhoben,
9Dan brengt Hij hun daardoor hun gedrag onder het oog, En hun zonden uit hoogmoed ontstaan;
10und öffnet ihnen das Ohr zur Zucht und sagt ihnen, daß sie sich von dem Unrechten bekehren sollen.
10Zo opent Hij hun oor ter belering, En vermaant ze, zich van hun ongerechtigheid te bekeren.
11Gehorchen sie und dienen ihm, so werden sie bei guten Tagen alt werden und mit Lust leben.
11Wanneer ze dan luisteren, en Hem weer dienen, Dan slijten ze hun dagen in geluk, Hun jaren in weelde;
12Gehorchen sie nicht, so werden sie ins Schwert fallen und vergehen in Unverstand.
12Maar wanneer ze niet willen horen, Dan gaan ze heen naar het graf, En komen om door onverstand.
13Die Heuchler werden voll Zorns; sie schreien nicht, wenn er sie gebunden hat.
13En de verstokten, die er toornig om worden, En niet smeken, als Hij ze bindt:
14So wird ihre Seele in der Jugend sterben und ihr Leben unter den Hurern.
14Zij sterven al in hun jeugd, Hun leven vliedt heen in de jonge jaren.
15Aber den Elenden wird er in seinem Elend erretten und dem Armen das Ohr öffnen in der Trübsal.
15Hij redt dus den ellendige door zijn ellende, En opent zijn oor door zijn nood!
16Und auch dich lockt er aus dem Rachen der Angst in weiten Raum, da keine Bedrängnis mehr ist; und an deinem Tische, voll des Guten, wirst du Ruhe haben.
16Zo trekt Hij ook u uit de muil van ellende Inplaats daarvan zal het onbekrompen overvloed zijn, En het genot van een dis, met vette spijzen beladen.
17Du aber machst die Sache der Gottlosen gut, daß ihre Sache und ihr Recht erhalten wird.
17Maar oordeelt gij geheel als een boze zijn gericht zal u treffen,
18Siehe zu, daß nicht vielleicht Zorn dich verlocke zum Hohn, oder die Größe des Lösegelds dich verleite.
18Pas dus op, dat de wrevel u geen straf komt brengen, Waarvan de grootste losprijs u niet zou ontslaan;
19Meinst du, daß er deine Gewalt achte oder Gold oder irgend eine Stärke oder Vermögen?
19Uw smeken tot Hem in de nood niets bereiken Al doet ge het ook uit al uw kracht.
20Du darfst der Nacht nicht begehren, welche Völker wegnimmt von ihrer Stätte.
20Laat de dwaasheid u toch niet bedriegen Om u te verheffen met hen, die wijs willen zijn;
21Hüte dich und kehre dich nicht zum Unrecht, wie du denn vor Elend angefangen hast.
21Wacht u ervoor, u tot de zonde te wenden, Want hierdoor juist werdt gij door ellende bezocht!
22Siehe Gott ist zu hoch in seiner Kraft; wo ist ein Lehrer, wie er ist?
22Zie, God is groot door zijn kracht: Wie is heerser als Hij?
23Wer will ihm weisen seinen Weg, und wer will zu ihm sagen: “Du tust Unrecht?”
23Wie schrijft Hem zijn weg voor, Wie zegt: Gij handelt verkeerd?
24Gedenke daß du sein Werk erhebest, davon die Leute singen.
24Denk er aan, dat ook gij zijn daden verheft, Die de stervelingen moeten bezingen,
25Denn alle Menschen sehen es; die Leute schauen's von ferne.
25Die iedere mens moet overwegen, Ieder mensenkind van verre beschouwt.
26Siehe Gott ist groß und unbekannt; seiner Jahre Zahl kann niemand erforschen.
26Zie, God is groot: wij begrijpen Hem niet, Het getal van zijn jaren is zelfs niet te schatten!
27Er macht das Wasser zu kleinen Tropfen und treibt seine Wolken zusammen zum Regen,
27Hij trekt uit de zee de druppels omhoog, Vervluchtigt de regen tot zijn nevel,
28daß die Wolken fließen und triefen sehr auf die Menschen.
28Die de wolken naar beneden doet stromen, En op alle mensen doet storten;
29Wenn er sich vornimmt die Wolken auszubreiten wie sein hoch Gezelt,
29Wie begrijpt de sprei van de wolken En de gedaante van zijn tent?
30siehe, so breitet er aus sein Licht über dieselben und bedeckt alle Enden des Meeres.
30Zie, Hij spreidt zijn nevel uit over de zee, En houdt haar kolken bedekt.
31Denn damit schreckt er die Leute und gibt doch Speise die Fülle.
31Want daarmee spijst Hij de volken En geeft Hij voedsel in overvloed.
32Er deckt den Blitz wie mit Händen und heißt ihn doch wieder kommen.
32In zijn handen verbergt Hij de bliksem, En zendt hem af op zijn doel;
33Davon zeugt sein Geselle, des Donners Zorn in den Wolken.
33Zijn strijdkreet kondigt Hem aan, Zijn woede ontketent de storm!

Tip: use the ← and → keys to turn chapters.