Hiob
Chapter 15
Lutherbibel 1912
vs Petrus Canisius Bi…
Aa
Text size
Line width
Verse numbers

Hiob 15

Lutherbibel 1912Translation
Lutherbibel 1912
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
1Da antwortete Eliphas von Theman und sprach:
1Elifaz van Teman nam het woord en sprak:
2Soll ein weiser Mann so aufgeblasene Worte reden und seinen Bauch so blähen mit leeren Reden?
2Antwoordt een wijze met bluf, En blaast hij zich op met oostenwind;
3Du verantwortest dich mit Worten, die nicht taugen, und dein Reden ist nichts nütze.
3Verdedigt hij zich met beuzelpraat En met holle frasen?
4Du hast die Furcht fahren lassen und redest verächtlich vor Gott.
4Gij breekt zowaar de godsvrucht af, En verstoort de overpeinzing voor het aanschijn van God.
5Denn deine Missetat lehrt deinen Mund also, und hast erwählt eine listige Zunge.
5Daar uw schuldig geweten uw mond onderricht, En gij de taal van bedriegers kiest,
6Dein Mund verdammt dich, und nicht ich; deine Lippen zeugen gegen dich.
6Is het uw eigen mond, die u vonnist: niet ik, Zijn het uw eigen lippen, die tegen u getuigen.
7Bist du der erste Mensch geboren? bist du vor allen Hügeln empfangen?
7Zijt gij als eerste der mensen geboren, Nog vóór de heuvelen ter wereld gebracht;
8Hast du Gottes heimlichen Rat gehört und die Weisheit an dich gerissen?
8Luistert ge toe in de raad van God, En hebt ge beslag op de Wijsheid gelegd?
9Was weißt du, das wir nicht wissen? was verstehst du, das nicht bei uns sei?
9Wat weet gij, wat wij niet weten, Wat begrijpt gij, wat wij niet verstaan?
10Es sind Graue und Alte unter uns, die länger gelebt haben denn dein Vater.
10Ook onder ons zijn bejaarden en grijsaards, Ouder van dagen nog dan uw vader!
11Sollten Gottes Tröstungen so gering vor dir gelten und ein Wort, in Lindigkeit zu dir gesprochen?
11Zijn soms voor ú de vertroostingen Gods te gering, Het woord, met zachtheid tot u gesproken?
12Was nimmt dein Herz vor? was siehst du so stolz?
12Hoe sleept uw hartstocht u mee, En hoe rollen uw ogen:
13Was setzt sich dein Mut gegen Gott, daß du solche Reden aus deinem Munde lässest?
13Dat ge uw wrevel tegen God durft keren, En zulke woorden aan uw mond laat ontglippen!
14Was ist ein Mensch, daß er sollte rein sein, und daß er sollte gerecht sein, der von einem Weibe geboren ist?
14Wat is een mens, dat hij rein zou zijn, Rechtschapen, die uit een vrouw is geboren?
15Siehe, unter seinen Heiligen ist keiner ohne Tadel, und die im Himmel sind nicht rein vor ihm.
15Zie, zelfs op zijn Heiligen kan Hij niet bouwen, En de hemel is niet rein in zijn oog;
16Wie viel weniger ein Mensch, der ein Greuel und schnöde ist, der Unrecht säuft wie Wasser.
16Hoeveel minder de mens, afschuwelijk, bedorven, Die de ongerechtigheid als water drinkt!
17Ich will dir's zeigen, höre mir zu, und ich will dir erzählen, was ich gesehen habe,
17Ik zal het u tonen, luister naar mij; Wat ik gezien heb, u gaan vertellen.
18was die Weisen gesagt haben und ihren Vätern nicht verhohlen gewesen ist,
18Het is hetzelfde, wat de wijzen verkonden, En wat hun vaderen hun niet hadden verborgen,
19welchen allein das Land gegeben war, daß kein Fremder durch sie gehen durfte:
19Aan wie alleen het land was geschonken, En bij wie nog geen vreemde was binnengedrongen
20“Der Gottlose bebt sein Leben lang, und dem Tyrannen ist die Zahl seiner Jahre verborgen.
20De goddeloze verkeert heel zijn leven in angst, De tyran al de jaren, die voor hem zijn bedongen;
21Was er hört, das schreckt ihn; und wenn's gleich Friede ist, fürchtet er sich, der Verderber komme,
21Schrikgeluiden treffen zijn oren, In volle vrede stormt de plunderaar op hem af.
22glaubt nicht, daß er möge dem Unglück entrinnen, und versieht sich immer des Schwerts.
22Hij hoopt niet eens, aan de duisternis te ontsnappen, En is bestemd voor het zwaard;
23Er zieht hin und her nach Brot, und es dünkt ihn immer, die Zeit seines Unglücks sei vorhanden.
23Hij wordt als een aas voor de gieren geworpen, En weet, dat sombere dagen hem wachten.
24Angst und Not schrecken ihn und schlagen ihn nieder wie ein König mit seinem Heer.
24Benauwdheid en angst grijpt hem aan, Als een koning ten aanval gereed:
25Denn er hat seine Hand wider Gott gestreckt und sich wider den Allmächtigen gesträubt.
25Want hij heeft zijn hand tegen God opgeheven, Den Almachtige durven trotseren;
26Er läuft mit dem Kopf an ihn und ficht halsstarrig wider ihn.
26Is met trotse nek op Hem afgestormd, Met zijn zwaar beslagen rondas!
27Er brüstet sich wie ein fetter Wanst und macht sich feist und dick.
27Omdat hij zijn gelaat met vet heeft bedekt, En een vetlaag gelegd op zijn lenden:
28Er wohnt in verstörten Städten, in Häusern, da man nicht bleiben darf, die auf einem Haufen liegen sollen.
28Daarom vestigt hij zich in verwoeste steden, In onbewoonbare huizen, die tot puin zijn vervallen;
29Er wird nicht reich bleiben, und sein Gut wird nicht bestehen, und sein Glück wird sich nicht ausbreiten im Lande.
29Hij blijft niet rijk, En zijn vermogen houdt geen stand;
30Unfall wird nicht von ihm lassen. Die Flamme wird seine Zweige verdorren, und er wird ihn durch den Odem seines Mundes wegnehmen.
30Zijn schaduw breidt zich niet uit op de grond, En hij ontsnapt de duisternis niet; Het vuur zal zijn loten verschroeien, De wind zijn bloesem verwaaien!
31Er wird nicht bestehen, denn er ist in seinem eiteln Dünkel betrogen; und eitel wird sein Lohn werden.
31Laat hem niet op zijn gestalte vertrouwen, Hij komt bedrogen uit, ze is enkel schijn.
32Er wird ein Ende nehmen vor der Zeit; und sein Zweig wird nicht grünen.
32Zijn ranken verdorren vóór de tijd, En zijn twijgen groenen niet meer;
33Er wird abgerissen werden wie eine unzeitige Traube vom Weinstock, und wie ein Ölbaum seine Blüte abwirft.
33Hij is als de wijnstok, die zijn druiven laat vallen, En als de olijf, die zijn bloesem verliest!
34Denn der Heuchler Versammlung wird einsam bleiben; und das Feuer wird fressen die Hütten derer, die Geschenke nehmen.
34Ja, de bent der goddelozen is onvruchtbaar, En het vuur verteert de tenten der omkoperij;
35Sie gehen schwanger mit Unglück und gebären Mühsal, und ihr Schoß bringt Trug.”
35Ze gaan zwanger van ellende, en baren onheil, Hun schoot draagt ontgoocheling!

Tip: use the ← and → keys to turn chapters.