욥기 15
Korean Bible, 1910 (한국어 성경)Translation
Korean Bible, 1910 (한국어 성경)
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
1데만 사람 엘리바스가 대답하여 가로되
1Elifaz van Teman nam het woord en sprak:
2지혜로운 자가 어찌 헛된 지식으로 대답하겠느냐 ? 어찌 동풍으로 그 품에 채우겠느냐 ?
2Antwoordt een wijze met bluf, En blaast hij zich op met oostenwind;
3어찌 유조치 아니한 이야기, 무익한 말로 변론하겠느냐 ?
3Verdedigt hij zich met beuzelpraat En met holle frasen?
4참으로 네가 하나님 경외하는 일을 폐하여 하나님 앞에 묵도하기를 그치게 하는구나
4Gij breekt zowaar de godsvrucht af, En verstoort de overpeinzing voor het aanschijn van God.
5네 죄악이 네 입을 가르치나니 네가 간사한 자의 혀를 택하였구나
5Daar uw schuldig geweten uw mond onderricht, En gij de taal van bedriegers kiest,
6너를 정죄한 것은 내가 아니요 네 입이라 네 입술이 너를 쳐서 증거하느니라
6Is het uw eigen mond, die u vonnist: niet ik, Zijn het uw eigen lippen, die tegen u getuigen.
7네가 제일 처음 난 사람이냐 ? 산들이 있기 전에 네가 출생하였느냐 ?
7Zijt gij als eerste der mensen geboren, Nog vóór de heuvelen ter wereld gebracht;
8하나님의 모의를 네가 들었느냐 ? 지혜를 홀로 가졌느냐 ?
8Luistert ge toe in de raad van God, En hebt ge beslag op de Wijsheid gelegd?
9너의 아는 것이 무엇이기로 우리가 알지 못하겠느냐 ? 너의 깨달은 것이 무엇이기로 우리에게는 없겠느냐 ?
9Wat weet gij, wat wij niet weten, Wat begrijpt gij, wat wij niet verstaan?
10우리 중에는 머리가 세기도 하고 연로하기도 하여 네 부친보다 나이 많은 자가 있느니라
10Ook onder ons zijn bejaarden en grijsaards, Ouder van dagen nog dan uw vader!
11하나님의 위로와 네게 온유하게 하시는 말씀을 네가 어찌 작다 하느냐 ?
11Zijn soms voor ú de vertroostingen Gods te gering, Het woord, met zachtheid tot u gesproken?
12어찌하여 네가 마음에 끌리며 네 눈을 번쩍여
12Hoe sleept uw hartstocht u mee, En hoe rollen uw ogen:
13네 영으로 하나님을 반대하고 네 입으로 말들을 내느냐
13Dat ge uw wrevel tegen God durft keren, En zulke woorden aan uw mond laat ontglippen!
14사람이 무엇이관대 깨끗하겠느냐 ? 여인에게서 난 자가 무엇이관대 의롭겠느냐 ?
14Wat is een mens, dat hij rein zou zijn, Rechtschapen, die uit een vrouw is geboren?
15하나님은 그 거룩한 자들을 믿지 아니 하시나니 하늘이라도 그의 보시기에 부정하거든
15Zie, zelfs op zijn Heiligen kan Hij niet bouwen, En de hemel is niet rein in zijn oog;
16하물며 악을 짓기를 물 마심 같이 하는 가증하고 부패한 사람이겠느냐 ?
16Hoeveel minder de mens, afschuwelijk, bedorven, Die de ongerechtigheid als water drinkt!
17내가 네게 보이리니 나를 들으라 내가 본 것을 설명하리라
17Ik zal het u tonen, luister naar mij; Wat ik gezien heb, u gaan vertellen.
18이는 곧 지혜로운 자들이 그 열조에게서 받아 숨기지 아니하고 전하여 온 것이라
18Het is hetzelfde, wat de wijzen verkonden, En wat hun vaderen hun niet hadden verborgen,
19이 땅은 그들에게만 주셨으므로 외인은 그들 중에 왕래하지 못하였었느니라
19Aan wie alleen het land was geschonken, En bij wie nog geen vreemde was binnengedrongen
20그 말에 이르기를 악인은 그 일평생에 고통을 당하며 강포자의 햇수는 작정되었으므로
20De goddeloze verkeert heel zijn leven in angst, De tyran al de jaren, die voor hem zijn bedongen;
21그 귀에는 놀라운 소리가 들리고 그 형통할 때에 멸망시키는 자가 그에게 임하리니
21Schrikgeluiden treffen zijn oren, In volle vrede stormt de plunderaar op hem af.
22그가 어두운 데서 나오기를 바라지 못하고 칼날의 기다림이 되느니라
22Hij hoopt niet eens, aan de duisternis te ontsnappen, En is bestemd voor het zwaard;
23그는 유리하며 식물을 구하여 이르기를 어디 있느냐 ? 하며 흑암한 날이 가까운 줄을 스스로 아느니라
23Hij wordt als een aas voor de gieren geworpen, En weet, dat sombere dagen hem wachten.
24환난과 고통이 그를 두렵게 하며 싸움을 준비한 왕처럼 그를 쳐서 이기리니
24Benauwdheid en angst grijpt hem aan, Als een koning ten aanval gereed:
25이는 그 손을 들어 하나님을 대적하며 교만하여 전능자를 배반함이니라
25Want hij heeft zijn hand tegen God opgeheven, Den Almachtige durven trotseren;
26그는 목을 굳게 하고 두터운 방패로 하나님을 치려고 달려가나니
26Is met trotse nek op Hem afgestormd, Met zijn zwaar beslagen rondas!
27그 얼굴에는 살이 찌고 허리에는 기름이 엉기었고
27Omdat hij zijn gelaat met vet heeft bedekt, En een vetlaag gelegd op zijn lenden:
28그는 황무한 성읍, 사람이 살지 아니하는 집, 돌 무더기가 될 곳에 거하였음이니라
28Daarom vestigt hij zich in verwoeste steden, In onbewoonbare huizen, die tot puin zijn vervallen;
29그는 부요하지 못하고 재산이 항상 있지 못하며 그 산업이 땅에서 증식하지 못할 것이며
29Hij blijft niet rijk, En zijn vermogen houdt geen stand;
30흑암한 데를 떠나지 못하리니 불꽃이 그 가지를 말릴 것이라 하나님의 입김에 그가 떠나리라
30Zijn schaduw breidt zich niet uit op de grond, En hij ontsnapt de duisternis niet; Het vuur zal zijn loten verschroeien, De wind zijn bloesem verwaaien!
31그는 스스로 속아 허망한 것을 믿지 말 것은 허망한 것이 그의 보응이 될 것임이라
31Laat hem niet op zijn gestalte vertrouwen, Hij komt bedrogen uit, ze is enkel schijn.
32그의 날이 이르기 전에 그 일이 이룰 것인즉 그 가지가 푸르지 못하리니
32Zijn ranken verdorren vóór de tijd, En zijn twijgen groenen niet meer;
33포도열매가 익기 전에 떨어짐 같고 감람 꽃이 곧 떨어짐 같으리라
33Hij is als de wijnstok, die zijn druiven laat vallen, En als de olijf, die zijn bloesem verliest!
34사곡한 무리는 결실이 없고 뇌물을 받는 자의 장막은 불탈 것이라
34Ja, de bent der goddelozen is onvruchtbaar, En het vuur verteert de tenten der omkoperij;
35그들은 악한 생각을 배고 불의를 낳으며 마음에 궤휼을 예비한다 하였느니라
35Ze gaan zwanger van ellende, en baren onheil, Hun schoot draagt ontgoocheling!
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.