Job
Chapter 15
Reina-Valera 1909
vs Petrus Canisius Bi…
Aa
Text size
Line width
Verse numbers

Job 15

Reina-Valera 1909
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
1Y RESPONDIÓ Eliphaz Temanita, y dijo:
1Elifaz van Teman nam het woord en sprak:
2¿Si proferirá el sabio vana sabiduría, y henchirá su vientre de viento solano?
2Antwoordt een wijze met bluf, En blaast hij zich op met oostenwind;
3¿Disputará con palabras inútiles, y con razones sin provecho?
3Verdedigt hij zich met beuzelpraat En met holle frasen?
4Tú también disipas el temor, y menoscabas la oración delante de Dios.
4Gij breekt zowaar de godsvrucht af, En verstoort de overpeinzing voor het aanschijn van God.
5Porque tu boca declaró tu iniquidad, pues has escogido el hablar de los astutos.
5Daar uw schuldig geweten uw mond onderricht, En gij de taal van bedriegers kiest,
6Tu boca te condenará, y no yo; y tus labios testificarán contra ti.
6Is het uw eigen mond, die u vonnist: niet ik, Zijn het uw eigen lippen, die tegen u getuigen.
7¿Naciste tú primero que Adam? ¿ó fuiste formado antes que los collados?
7Zijt gij als eerste der mensen geboren, Nog vóór de heuvelen ter wereld gebracht;
8¿Oíste tú el secreto de Dios, que detienes en ti solo la sabiduría?
8Luistert ge toe in de raad van God, En hebt ge beslag op de Wijsheid gelegd?
9¿Qué sabes tú que no sepamos? ¿qué entiendes que no se halle en nosotros?
9Wat weet gij, wat wij niet weten, Wat begrijpt gij, wat wij niet verstaan?
10Entre nosotros también hay cano, también hay viejo mucho mayor en días que tu padre.
10Ook onder ons zijn bejaarden en grijsaards, Ouder van dagen nog dan uw vader!
11¿En tan poco tienes las consolaciones de Dios? ¿tienes acaso alguna cosa oculta cerca de ti?
11Zijn soms voor ú de vertroostingen Gods te gering, Het woord, met zachtheid tot u gesproken?
12¿Por qué te enajena tu corazón, y por qué guiñan tus ojos,
12Hoe sleept uw hartstocht u mee, En hoe rollen uw ogen:
13Pues haces frente á Dios con tu espíritu, y sacas tales palabras de tu boca?
13Dat ge uw wrevel tegen God durft keren, En zulke woorden aan uw mond laat ontglippen!
14¿Qué cosa es el hombre para que sea limpio, y que se justifique el nacido de mujer?
14Wat is een mens, dat hij rein zou zijn, Rechtschapen, die uit een vrouw is geboren?
15He aquí que en sus santos no confía, y ni los cielos son limpios delante de sus ojos:
15Zie, zelfs op zijn Heiligen kan Hij niet bouwen, En de hemel is niet rein in zijn oog;
16¿Cuánto menos el hombre abominable y vil, que bebe la iniquidad como agua?
16Hoeveel minder de mens, afschuwelijk, bedorven, Die de ongerechtigheid als water drinkt!
17Escúchame; yo te mostraré y te contaré lo que he visto:
17Ik zal het u tonen, luister naar mij; Wat ik gezien heb, u gaan vertellen.
18(Lo que los sabios nos contaron de sus padres, y no lo encubrieron;
18Het is hetzelfde, wat de wijzen verkonden, En wat hun vaderen hun niet hadden verborgen,
19A los cuales solos fué dada la tierra, y no pasó extraño por medio de ellos:)
19Aan wie alleen het land was geschonken, En bij wie nog geen vreemde was binnengedrongen
20Todos los días del impío, él es atormentado de dolor, y el número de años es escondido al violento.
20De goddeloze verkeert heel zijn leven in angst, De tyran al de jaren, die voor hem zijn bedongen;
21Estruendos espantosos hay en sus oídos; en la paz le vendrá quien lo asuele.
21Schrikgeluiden treffen zijn oren, In volle vrede stormt de plunderaar op hem af.
22El no creerá que ha de volver de las tinieblas, y está mirando al cuchillo.
22Hij hoopt niet eens, aan de duisternis te ontsnappen, En is bestemd voor het zwaard;
23Desasosegado á comer siempre, sabe que le está aparejado día de tinieblas.
23Hij wordt als een aas voor de gieren geworpen, En weet, dat sombere dagen hem wachten.
24Tribulación y angustia le asombrarán, y esforzaránse contra él como un rey apercibido para la batalla.
24Benauwdheid en angst grijpt hem aan, Als een koning ten aanval gereed:
25Por cuanto él extendió su mano contra Dios, y se esforzó contra el Todopoderoso,
25Want hij heeft zijn hand tegen God opgeheven, Den Almachtige durven trotseren;
26El le acometerá en la cerviz, en lo grueso de las hombreras de sus escudos:
26Is met trotse nek op Hem afgestormd, Met zijn zwaar beslagen rondas!
27Porque cubrió su rostro con su gordura, é hizo pliegues sobre los ijares;
27Omdat hij zijn gelaat met vet heeft bedekt, En een vetlaag gelegd op zijn lenden:
28Y habitó las ciudades asoladas, las casas inhabitadas, que estaban puestas en montones.
28Daarom vestigt hij zich in verwoeste steden, In onbewoonbare huizen, die tot puin zijn vervallen;
29No enriquecerá, ni será firme su potencia, ni extenderá por la tierra su hermosura.
29Hij blijft niet rijk, En zijn vermogen houdt geen stand;
30No se escapará de las tinieblas: la llama secará sus ramos, y con el aliento de su boca perecerá.
30Zijn schaduw breidt zich niet uit op de grond, En hij ontsnapt de duisternis niet; Het vuur zal zijn loten verschroeien, De wind zijn bloesem verwaaien!
31No confíe el iluso en la vanidad; porque ella será su recompensa.
31Laat hem niet op zijn gestalte vertrouwen, Hij komt bedrogen uit, ze is enkel schijn.
32El será cortado antes de su tiempo, y sus renuevos no reverdecerán.
32Zijn ranken verdorren vóór de tijd, En zijn twijgen groenen niet meer;
33El perderá su agraz como la vid, y derramará su flor como la oliva.
33Hij is als de wijnstok, die zijn druiven laat vallen, En als de olijf, die zijn bloesem verliest!
34Porque la sociedad de los hipócritas será asolada, y fuego consumirá las tiendas de soborno.
34Ja, de bent der goddelozen is onvruchtbaar, En het vuur verteert de tenten der omkoperij;
35Concibieron dolor, y parieron iniquidad; y las entrañas de ellos meditan engaño.
35Ze gaan zwanger van ellende, en baren onheil, Hun schoot draagt ontgoocheling!

Tip: use the ← and → keys to turn chapters.