Job
Chapter 22
Reina-Valera 1909
vs Petrus Canisius Bi…
Aa
Text size
Line width
Verse numbers

Job 22

Reina-Valera 1909
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
1Y RESPONDIÓ Eliphaz Temanita, y dijo:
1Weer nam Elifaz van Teman het woord, en sprak:
2¿Traerá el hombre provecho á Dios, porque el sabio sea provechoso á sí mismo?
2Handelt de mens soms ten bate van God? Neen, ten eigen bate is men wijs.
3¿Tiene su contentamiento el Omnipotente en que tú seas justificado, ó provecho de que tú hagas perfectos tus caminos?
3Heeft de Almachtige er voordeel van, als ge vroom zijt, Of profijt, zo ge onberispelijk leeft?
4¿Castigaráte acaso, ó vendrá contigo á juicio porque te teme?
4Bestraft Hij u soms om uw godsvrucht, Daagt Hij u daarom voor het gerecht?
5Por cierto tu malicia es grande, y tus maldades no tienen fin.
5Is het niet om uw grote boosheid, Om uw fouten, zonder eind?
6Porque sacaste prenda á tus hermanos sin causa, é hiciste desnudar las ropas de los desnudos.
6Ja, zonder noodzaak neemt ge pand van uw broeders, En trekt de berooiden de kleren uit;
7No diste de beber agua al cansado, y detuviste el pan al hambriento.
7Den dorstige geeft ge geen water, Den hongerige onthoudt ge zijn brood.
8Empero el hombre pudiente tuvo la tierra; y habitó en ella el distinguido.
8Den man met de vuist moet het land toebehoren, En de gunsteling moet het bewonen;
9Las viudas enviaste vacías, y los brazos de los huérfanos fueron quebrados.
9Maar de weduwen zendt ge zonder iets heen, De armen der wezen slaat ge stuk!
10Por tanto hay lazos alrededor de ti, y te turba espanto repentino;
10En daarom zijt ge van strikken omringd, Plotseling verbijsterd van schrik;
11O tinieblas, porque no veas; y abundancia de agua te cubre.
11Is uw licht verduisterd, zodat ge niet ziet, Slaat de stortvloed over u heen!
12¿No está Dios en la altura de los cielos? Mira lo encumbrado de las estrellas, cuán elevadas están.
12Woont God niet hoog in de hemel? Zie eens, hoe hoog de sterren staan!
13¿Y dirás tú: Qué sabe Dios? ¿cómo juzgará por medio de la oscuridad?
13Maar gij besluit er uit: Wat kan God weten, Of richten door de wolken heen?
14Las nubes son su escondedero, y no ve; y por el circuito del cielo se pasea.
14Het zwerk is een sluier voor Hem, zodat Hij niet ziet, Hij wandelt rond op het hemelgewelf.
15¿Quieres tú guardar la senda antigua, que pisaron los hombres perversos?
15Wilt ge de weg van vroeger bewandelen Die de boosdoeners hebben betreden:
16Los cuales fueron cortados antes de tiempo, cuyo fundamento fué como un río derramado:
16Die vóór hun tijd zijn weggesleurd, Toen de vloed hun grondvesten wegspoelde?
17Que decían á Dios: Apártate de nosotros. ¿Y qué les había hecho el Omnipotente?
17Die tot God durfden zeggen: Weg van ons! Wat kan de Almachtige ons doen?
18Habíales él henchido sus casas de bienes. Sea empero el consejo de ellos lejos de mí.
18Hij had hun huizen met voorspoed gevuld, En Zich niet met de plannen der bozen bemoeid.
19Verán los justos y se gozarán; y el inocente los escarnecerá, diciendo :
19De vromen zien het met vreugde, De onschuldige drijft de spot met hen:
20Fué cortada nuestra sustancia, habiendo consumido el fuego el resto de ellos.
20“Waarachtig, hun have vernield, Hun overvloed door het vuur verteerd!”
21Amístate ahora con él, y tendrás paz; y por ello te vendrá bien.
21Verzoen u met Hem, dan leeft ge in vrede, Dan wordt uw rijkdom weer groot;
22Toma ahora la ley de su boca, y pon sus palabras en tu corazón.
22Neem de onderrichting aan uit zijn mond, En bewaar zijn woord in uw hart.
23Si te tornares al Omnipotente, serás edificado; alejarás de tu tienda la aflicción;
23Wanneer ge vol ootmoed u tot den Almachtige bekeert, De ongerechtigheid uit uw tent verwijdert:
24Y tendrás más oro que tierra, y como piedras de arroyos oro de Ophir;
24Dan zult ge het goud als stof gaan schatten, Het Ofirgoud als kiezel der beken.
25Y el Todopoderoso será tu defensa, y tendrás plata á montones.
25Want de Almachtige zal het fijnste goud voor u zijn, En stapels van zilver;
26Porque entonces te deleitarás en el Omnipotente, y alzarás á Dios tu rostro.
26Dan zult ge u in den Almachtige verlustigen, En uw aanschijn verheffen tot God.
27Orarás á él, y él te oirá; y tú pagarás tus votos.
27Dan zult ge Hem roepen: Hij zal u verhoren, En ge zult Hem dankoffers brengen;
28Determinarás asimismo una cosa, y serte ha firme; y sobre tus caminos resplandecerá luz.
28Onderneemt ge iets, het komt tot stand, En het licht zal uw wegen bestralen!
29Cuando fueren abatidos, dirás tú: Ensalzamiento habrá : y Dios salvará al humilde de ojos.
29Want Hij vernedert de trots, Maar redt, wie de ogen neerslaat;
30El libertará la isla del inocente; y por la limpieza de tus manos será librada.
30Hij verlost den onschuldige: Door de reinheid uwer handen wordt ook gij dus verlost!

Tip: use the ← and → keys to turn chapters.