Job
Chapter 20
Reina-Valera 1909
vs Petrus Canisius Bi…
Aa
Text size
Line width
Verse numbers

Job 20

Reina-Valera 1909
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
1Y RESPONDIÓ Sophar Naamathita, y dijo:
1Daarop nam Sofar van Naäma het woord en sprak:
2Por cierto mis pensamientos me hacen responder, y por tanto me apresuro.
2Mijn inzicht dwingt mij tot antwoord, Omdat het in mij stormt,
3La reprensión de mi censura he oído, y háceme responder el espíritu de mi inteligencia.
3Nu ik een grievend verwijt moet horen, En domme bluf mij antwoord geeft.
4¿No sabes esto que fué siempre, desde el tiempo que fué puesto el hombre sobre la tierra,
4Weet ge dan niet, dat van de vroegste tijd af, Sinds de mens op de aarde werd geplaatst,
5Que la alegría de los impíos es breve, y el gozo del hipócrita por un momento?
5Het gejuich van den boze slechts korte tijd duurt, De vreugde van den goddeloze een ogenblik?
6Si subiere su altivez hasta el cielo, y su cabeza tocare en las nubes,
6Al verheft zijn gestalte zich hemelhoog, En reikt zijn hoofd tot de wolken:
7Con su estiércol perecerá para siempre: los que le hubieren visto, dirán: ¿Qué es de él?
7Als zijn eigen drek verdwijnt hij voor immer, Die hem zagen, roepen: Waar is hij?
8Como sueño volará, y no será hallado: y disiparáse como visión nocturna.
8Spoorloos vervluchtigt hij als een droom, Wordt weggevaagd als een nachtgezicht;
9El ojo que le habrá visto, nunca más le verá; ni su lugar le echará más de ver.
9Het oog, dat hem zag, bespeurt hem niet langer, De plaats, waar hij woonde, aanschouwt hem niet meer.
10Sus hijos pobres andarán rogando; y sus manos tornarán lo que él robó.
10Zijn zonen bedelen bij armen, Zijn kinderen geven zijn rijkdom af;
11Sus huesos están llenos de sus mocedades, y con él serán sepultados en el polvo.
11En al is zijn gebeente vol jeugdige kracht, Het legt zich neer bij hem in het graf.
12Si el mal se endulzó en su boca, si lo ocultaba debajo de su lengua;
12Hoe zoet het slechte in zijn mond mag smaken, Hoe hij het onder zijn tong ook verbergt,
13Si le parecía bien, y no lo dejaba, mas antes lo detenía entre su paladar;
13Hoe hij het smekt en niet doorslikt, En het tegen zijn gehemelte houdt:
14Su comida se mudará en sus entrañas, hiel de áspides será dentro de él.
14Toch verschaalt zijn spijs in zijn ingewanden, Wordt in zijn binnenste adderengif;
15Devoró riquezas, mas vomitarálas; de su vientre las sacará Dios.
15Hij slokt schatten in, maar braakt ze uit, God drijft ze weer uit zijn buik.
16Veneno de áspides chupará; matarálo lengua de víbora.
16Adderengif moet hij drinken, Een slangentong zal hem doden;
17No verá los arroyos, los ríos, los torrentes de miel y de manteca.
17Hij zal geen beken van olie genieten, Geen stromen van honing en boter.
18Restituirá el trabajo conforme á la hacienda que tomó; y no tragará, ni gozará.
18Zijn winst geeft hij terug, en slokt ze niet door, Verheugt zich niet in de vrucht van zijn handel;
19Por cuanto quebrantó y desamparó á los pobres, robó casas, y no las edificó;
19Want hij heeft de armen verdrukt en verlaten, Hun huis geroofd, niet gebouwd.
20Por tanto, no sentirá él sosiego en su vientre, ni salvará nada de lo que codiciaba.
20Omdat hij voor zijn buik geen verzadiging vond, Niets aan zijn eetlust ontsnapte,
21No quedó nada que no comiese: por tanto su bien no será durable.
21En niets aan zijn vraatzucht ontging: Daarom houdt zijn voorspoed geen stand!
22Cuando fuere lleno su bastimento, tendrá angustia: las manos todas de los malvados vendrán sobre él.
22Op het toppunt van zijn geluk wordt het hem bang, Wordt hij door al de slagen van rampspoed getroffen;
23Cuando se pusiere á henchir su vientre, Dios enviará sobre él el furor de su ira, y harála llover sobre él y sobre su comida.
23Terwijl hij zijn buik vult, laat God zijn ziedende toorn op hem los, Laat schichten regenen op zijn ingewanden.
24Huirá de las armas de hierro, y el arco de acero le atravesará.
24Als hij vlucht voor de ijzeren wapenrusting, Doorboort hem de koperen boog,
25Desenvainará y sacará saeta de su aljaba, y relumbrante pasará por su hiel: sobre él vendrán terrores.
25Puilt de schicht uit zijn rug, De bliksemende pijl uit zijn gal. Dan overvalt hem de doodschrik,
26Todas tinieblas están guardadas para sus secretos: fuego no soplado lo devorará; su sucesor será quebrantado en su tienda.
26De diepste duisternis houdt hem omvangen; Een vuur verslindt hem, dat niet is ontstoken, Vreet weg wat nog leeft in zijn tent.
27Los cielos descubrirán su iniquidad, y la tierra se levantará contra él.
27De hemelen openbaren zijn schuld, En de aarde staat tegen hem op;
28Los renuevos de su casa serán trasportados; serán derramados en el día de su furor.
28Een stortvloed spoelt zijn woning weg, Een vloedgolf op de dag van zijn toorn!
29Esta es la parte que Dios apareja al hombre impío, y la heredad que Dios le señala por su palabra.
29Dit is het lot van den boze, door God hem bedeeld, Het erfdeel, dat de Godheid hem toewijst!

Tip: use the ← and → keys to turn chapters.