Job
Chapter 3
Reina-Valera 1909
vs Petrus Canisius Bi…
Aa
Text size
Line width
Verse numbers

Job 3

Reina-Valera 1909
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
1DESPUÉS de esto abrió Job su boca, y maldijo su día.
1Daarna opende Job zijn mond, om zijn geboorte dag te verwensen
2Y exclamó Job, y dijo:
2En Job hief aan en sprak:
3Perezca el día en que yo nací, y la noche que se dijo: Varón es concebido.
3De dag verga, waarop ik geboren werd; De nacht, die sprak: Er is een knaapje ontvangen!
4Sea aquel día sombrío, y Dios no cuide de él desde arriba, ni claridad sobre él resplandezca.
4Die dag: hij worde duisternis, God in den hoge zij er niet om bekommerd; Geen lichtglans moge hem bestralen,
5Aféenlo tinieblas y sombra de muerte; repose sobre él nublado, que lo haga horrible como caliginoso día.
5Maar duisternis en schaduw des doods hem bedekken; Mogen wolken zich boven hem samenpakken, En zonsverduistering hem verschrikken!
6Ocupe la oscuridad aquella noche; no sea contada entre los días del año, ni venga en el número de los meses.
6Die nacht: het donker rove hem weg, Hij telle niet mee onder de dagen van het jaar, En trede niet op in het getal van de maanden. Mogen de sterren van zijn ochtendschemering worden gedoofd; Hij hope op licht, dat niet daagt, Hij aanschouwe de wimpers van het morgenrood niet!
7¡Oh si fuere aquella noche solitaria, que no viniera canción alguna en ella!
7Ja, troosteloos blijve die nacht, Geen juichtoon dringe tot hem door;
8Maldíganla los que maldicen al día, los que se aprestan para levantar su llanto.
8Laat de dagbeheksers hem vervloeken, Gereed, om Liwjatan tegen hem op te hitsen:
9Oscurézcanse las estrellas de su alba; espere la luz, y no venga, ni vea los párpados de la mañana:
9Mogen de sterren van zijn ochtendschemering worden gedoofd; Hij hope op licht, dat niet daagt, Hij aanschouwe de wimpers van het morgenrood niet!
10Por cuanto no cerró las puertas del vientre donde yo estaba, ni escondió de mis ojos la miseria.
10Want hij sloot mij de deuren niet dicht van de schoot, Hij verborg niet het leed voor mijn ogen!
11¿Por qué no morí yo desde la matriz, o fuí traspasado en saliendo del vientre?
11Waarom stierf ik niet, toen ik uit de moederschoot kwam, Ging ik niet dood, toen ik haar lichaam verliet;
12¿Por qué me previnieron las rodillas? ¿y para qué las tetas que mamase?
12Waarom wachtten twee knieën mij op, Waarom twee borsten, om mij te zogen;
13Pues que ahora yaciera yo, y reposara; durmiera, y entonces tuviera reposo,
13Dan lag ik nu neer, en had rust; Ik zou slapen, en door niets meer worden gestoord:
14Con los reyes y con los consejeros de la tierra, que edifican para sí los desiertos;
14Naast koningen en rijksbestuurders, Die zich grafmonumenten hebben gebouwd;
15O con los príncipes que poseían el oro, que henchían sus casas de plata.
15Naast vorsten, badend in goud, En die hun paleizen vulden met zilver.
16O ¿por qué no fuí escondido como aborto, como los pequeñitos que nunca vieron luz?
16Waarom werd ik niet weggestopt als een misdracht, Als kinderkens, die het licht niet aanschouwen?
17Allí los impíos dejan el perturbar, y allí descansan los de cansadas fuerzas.
17Daar, waar de bozen hun tieren staken, Waar rust vindt, wiens kracht is bezweken;
18Allí asimismo reposan los cautivos; no oyen la voz del exactor.
18Waar de gevangenen allemaal vrede genieten, En de stem van de drijvers niet horen;
19Allí están el chico y el grande; y el siervo libre de su señor.
19Waar kleinen en groten gelijk zijn, De slaven van hun meesters bevrijd.
20¿Por qué se da luz al trabajado, y vida á los de ánimo en amargura,
20Waarom het licht aan een rampzalige geschonken, Aan zielsbedroefden het leven:
21Que esperan la muerte, y ella no llega, aunque la buscan más que tesoros;
21Aan hen, die de dood verbeiden, die niet komt, Die met groter vlijt naar hem dan naar schatten graven;
22Que se alegran sobremanera, y se gozan, cuando hallan el sepulcro?
22Die met blijdschap zouden juichen, En jubelen, wanneer zij het graf zouden vinden?
23¿ Por qué al hombre que no sabe por donde vaya, y al cual Dios ha encerrado?
23Aan den man, wiens pad in de duisternis ligt, Wien God elke uitweg heeft afgesneden!
24Pues antes que mi pan viene mi suspiro; y mis gemidos corren como aguas.
24Want als mijn brood komt mijn zuchten, En als water stort zich mijn jammerklacht uit;
25Porque el temor que me espantaba me ha venido, y hame acontecido lo que temía.
25Wanneer ik bang voor iets ben, overvalt het mij, Mij treft, wat ik ducht!
26No he tenido paz, no me aseguré, ni me estuve reposado; vínome no obstante turbación.
26Neen, geen rust voor mij, geen heil en geen vrede, Maar altijd weer tobben!

Tip: use the ← and → keys to turn chapters.