ΙΩΒ 3
Septuagint (Greek Old Testament), second editionOriginal language
Septuagint (Greek Old Testament), second edition
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
1ΜΕΤΑ τοῦτο ἤνοιξεν Ἰὼβ τὸ στόμα αὐτοῦ καὶ κατηράσατο τὴν ἡμέραν αὐτοῦ
1Daarna opende Job zijn mond, om zijn geboorte dag te verwensen
2λέγων·
2En Job hief aan en sprak:
3ἀπόλοιτο ἡ ἡμέρα, ἐν ᾗ ἐγεννήθην, καὶ ἡ νὺξ ἐκείνη ᾗ εἶπαν· ἰδοὺ ἄρσεν.
3De dag verga, waarop ik geboren werd; De nacht, die sprak: Er is een knaapje ontvangen!
4ἡ νὺξ ἐκείνη εἴη σκότος, καὶ μὴ ἀναζητήσαι αὐτὴν ὁ Κύριος ἄνωθεν, μηδὲ ἔλθοι εἰς αὐτὴν φέγγος·
4Die dag: hij worde duisternis, God in den hoge zij er niet om bekommerd; Geen lichtglans moge hem bestralen,
5ἐκλάβοι δὲ αὐτὴν σκότος καὶ σκιὰ θανάτου, ἐπέλθοι ἐπ᾿ αὐτὴν γνόφος. καταραθείη ἡ ἡμέρα
5Maar duisternis en schaduw des doods hem bedekken; Mogen wolken zich boven hem samenpakken, En zonsverduistering hem verschrikken!
6καὶ ἡ νὺξ ἐκείνη, ἀπενέγκαιτο αὐτὴν σκότος· μὴ εἴη εἰς ἡμέρας ἐνιαυτοῦ, μηδὲ ἀριθμηθείη εἰς ἡμέρας μηνῶν·
6Die nacht: het donker rove hem weg, Hij telle niet mee onder de dagen van het jaar, En trede niet op in het getal van de maanden. Mogen de sterren van zijn ochtendschemering worden gedoofd; Hij hope op licht, dat niet daagt, Hij aanschouwe de wimpers van het morgenrood niet!
7ἀλλὰ ἡ νὺξ ἐκείνη εἴη ὀδύνη, καὶ μὴ ἔλθοι ἐπ᾿ αὐτὴν εὐφροσύνη μηδὲ χαρμονή·
7Ja, troosteloos blijve die nacht, Geen juichtoon dringe tot hem door;
8ἀλλὰ καταράσαιτο αὐτὴν ὁ καταρώμενος τὴν ἡμέραν ἐκείνην, ὁ μέλλων τὸ μέγα κῆτος χειρώσασθαι.
8Laat de dagbeheksers hem vervloeken, Gereed, om Liwjatan tegen hem op te hitsen:
9σκοτωθείη τὰ ἄστρα τῆς νυκτὸς ἐκείνης, ὑπομείναι καὶ εἰς φωτισμὸν μὴ ἔλθοι καὶ μὴ ἴδοι ἑωσφόρον ἀνατέλλοντα,
9Mogen de sterren van zijn ochtendschemering worden gedoofd; Hij hope op licht, dat niet daagt, Hij aanschouwe de wimpers van het morgenrood niet!
10ὅτι οὐ συνέκλεισε πύλας γαστρὸς μητρός μου· ἀπήλλαξε γὰρ ἂν πόνον ἀπὸ ὀφθαλμῶν μου.
10Want hij sloot mij de deuren niet dicht van de schoot, Hij verborg niet het leed voor mijn ogen!
11διατί γὰρ ἐν κοιλίᾳ οὐκ ἐτελεύτησα, ἐκ γαστρὸς δὲ ἐξῆλθον καὶ οὐκ εὐθὺς ἀπωλόμην;
11Waarom stierf ik niet, toen ik uit de moederschoot kwam, Ging ik niet dood, toen ik haar lichaam verliet;
12ἱνατί δὲ συνήντησάν μοι γόνατα; ἱνατί δὲ μαστοὺς ἐθήλασα;
12Waarom wachtten twee knieën mij op, Waarom twee borsten, om mij te zogen;
13νῦν ἂν κοιμηθεὶς ἡσύχασα, ὑπνώσας δὲ ἀνεπαυσάμην
13Dan lag ik nu neer, en had rust; Ik zou slapen, en door niets meer worden gestoord:
14μετὰ βασιλέων βουλευτῶν γῆς, οἳ ἐγαυριῶντο ἐπὶ ξίφεσιν,
14Naast koningen en rijksbestuurders, Die zich grafmonumenten hebben gebouwd;
15ἢ μετὰ ἀρχόντων, ὧν πολὺς ὁ χρυσός, οἳ ἔπλησαν τοὺς οἴκους αὐτῶν ἀργυρίου,
15Naast vorsten, badend in goud, En die hun paleizen vulden met zilver.
16ἢ ὥσπερ ἔκτρωμα ἐκπορευόμενον ἐκ μήτρας μητρός, ἢ ὥσπερ νήπιοι, οἳ οὐκ εἶδον φῶς.
16Waarom werd ik niet weggestopt als een misdracht, Als kinderkens, die het licht niet aanschouwen?
17ἐκεῖ ἀσεβεῖς ἐξέκαυσαν θυμὸν ὀργῆς, ἐκεῖ ἀνεπαύσαντο κατάκοποι τῷ σώματι·
17Daar, waar de bozen hun tieren staken, Waar rust vindt, wiens kracht is bezweken;
18ὁμοθυμαδὸν δὲ οἱ αἰώνιοι οὐκ ἤκουσαν φωνὴν φορολόγου.
18Waar de gevangenen allemaal vrede genieten, En de stem van de drijvers niet horen;
19μικρὸς καὶ μέγας ἐκεῖ ἐστι, καὶ θεράπων δεδοικὼς τὸν κύριον αὐτοῦ·
19Waar kleinen en groten gelijk zijn, De slaven van hun meesters bevrijd.
20ἱνατί γὰρ δέδοται τοῖς ἐν πικρίᾳ φῶς, ζωὴ δὲ ταῖς ἐν ὀδύναις ψυχαῖς;
20Waarom het licht aan een rampzalige geschonken, Aan zielsbedroefden het leven:
21οἳ ἱμείρονται τοῦ θανάτου καὶ οὐ τυγχάνουσιν ἀνορύσσοντες ὥσπερ θησαυρούς,
21Aan hen, die de dood verbeiden, die niet komt, Die met groter vlijt naar hem dan naar schatten graven;
22περιχαρεῖς δὲ ἐγένοντο ἐὰν κατατύχωσι.
22Die met blijdschap zouden juichen, En jubelen, wanneer zij het graf zouden vinden?
23θάνατος ἀνδρὶ ἀνάπαυμα, συνέκλεισε γὰρ ὁ Θεὸς κατ᾿ αὐτοῦ·
23Aan den man, wiens pad in de duisternis ligt, Wien God elke uitweg heeft afgesneden!
24πρὸ γὰρ τῶν σίτων μου στεναγμός μοι ἥκει, δακρύω δὲ ἐγὼ συνεχόμενος φόβῳ·
24Want als mijn brood komt mijn zuchten, En als water stort zich mijn jammerklacht uit;
25φόβος γάρ, ὅν ἐφρόντισα, ἦλθέ μοι, καὶ ὃν ἐδεδοίκειν, συνήντησέ μοι,
25Wanneer ik bang voor iets ben, overvalt het mij, Mij treft, wat ik ducht!
26οὔτε εἰρήνευσα οὔτε ἡσύχασα οὔτε ἀνεπαυσάμην, ἦλθε δέ μοι ὀργή.
26Neen, geen rust voor mij, geen heil en geen vrede, Maar altijd weer tobben!
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.