Јов 3
Daničić–Karadžić Bible (1868), CyrillicTranslation
Daničić–Karadžić Bible (1868), Cyrillic
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
1Потом отвори уста своја Јов и стаде клети дан свој.
1Daarna opende Job zijn mond, om zijn geboorte dag te verwensen
2И проговоривши Јов рече:
2En Job hief aan en sprak:
3Не било дана у који се родих, и ноћи у којој рекоше: Роди се детић!
3De dag verga, waarop ik geboren werd; De nacht, die sprak: Er is een knaapje ontvangen!
4Био тај дан тама, не гледао га Бог озго, и не осветљавала га светлост!
4Die dag: hij worde duisternis, God in den hoge zij er niet om bekommerd; Geen lichtglans moge hem bestralen,
5Мрак га запрзнио и сен смртни, облак га обастирао, био страшан као најгори дани!
5Maar duisternis en schaduw des doods hem bedekken; Mogen wolken zich boven hem samenpakken, En zonsverduistering hem verschrikken!
6Ноћ ону освојила тама, не радовала се међу данима годишњим, не бројала се у месеце!
6Die nacht: het donker rove hem weg, Hij telle niet mee onder de dagen van het jaar, En trede niet op in het getal van de maanden. Mogen de sterren van zijn ochtendschemering worden gedoofd; Hij hope op licht, dat niet daagt, Hij aanschouwe de wimpers van het morgenrood niet!
7Гле, ноћ она била пуста, певања не било у њој!
7Ja, troosteloos blijve die nacht, Geen juichtoon dringe tot hem door;
8Клели је који куну дане, који су готови пробудити крокодила!
8Laat de dagbeheksers hem vervloeken, Gereed, om Liwjatan tegen hem op te hitsen:
9Потамнеле звезде у сумрачје њено, чекала видело и не дочекала га, и не видела зори трепавица;
9Mogen de sterren van zijn ochtendschemering worden gedoofd; Hij hope op licht, dat niet daagt, Hij aanschouwe de wimpers van het morgenrood niet!
10Што ми није затворила врата од утробе и није сакрила муку од мојих очију.
10Want hij sloot mij de deuren niet dicht van de schoot, Hij verborg niet het leed voor mijn ogen!
11Зашто не умрех у утроби? Не издахнух излазећи из утробе?
11Waarom stierf ik niet, toen ik uit de moederschoot kwam, Ging ik niet dood, toen ik haar lichaam verliet;
12Зашто ме прихватише колена? Зашто сисе, да сем?
12Waarom wachtten twee knieën mij op, Waarom twee borsten, om mij te zogen;
13Јер бих сада лежао и почивао; спавао бих, и био бих миран,
13Dan lag ik nu neer, en had rust; Ik zou slapen, en door niets meer worden gestoord:
14С царевима и саветницима земаљским, који зидаше себи пустолине,
14Naast koningen en rijksbestuurders, Die zich grafmonumenten hebben gebouwd;
15Или с кнезовима, који имаше злата, и куће своје пунише сребра.
15Naast vorsten, badend in goud, En die hun paleizen vulden met zilver.
16Или зашто не бих као недоношче сакривено, као дете које не угледа видела?
16Waarom werd ik niet weggestopt als een misdracht, Als kinderkens, die het licht niet aanschouwen?
17Онде безбожници престају досађивати, и онде почивају изнемогли,
17Daar, waar de bozen hun tieren staken, Waar rust vindt, wiens kracht is bezweken;
18И сужњи се одмарају и не чују глас настојников.
18Waar de gevangenen allemaal vrede genieten, En de stem van de drijvers niet horen;
19Мали и велики онде је, и роб слободан од свог господара.
19Waar kleinen en groten gelijk zijn, De slaven van hun meesters bevrijd.
20Зашто се даје видело невољнику и живот онима који су тужног срца,
20Waarom het licht aan een rampzalige geschonken, Aan zielsbedroefden het leven:
21Који чекају смрт а ње нема, и траже је већма него закопано благо,
21Aan hen, die de dood verbeiden, die niet komt, Die met groter vlijt naar hem dan naar schatten graven;
22Који играју од радости и веселе се кад нађу гроб?
22Die met blijdschap zouden juichen, En jubelen, wanneer zij het graf zouden vinden?
23Човеку, коме је пут сакривен и ког је Бог затворио одсвуда?
23Aan den man, wiens pad in de duisternis ligt, Wien God elke uitweg heeft afgesneden!
24Јер пре јела мог долази уздах мој, и као вода разлива се јаук мој.
24Want als mijn brood komt mijn zuchten, En als water stort zich mijn jammerklacht uit;
25Јер чега се бојах дође на мене, и чега се страшах задеси ме.
25Wanneer ik bang voor iets ben, overvalt het mij, Mij treft, wat ik ducht!
26Не почивах нити имах мира нити се одмарах, и опет дође страхота.
26Neen, geen rust voor mij, geen heil en geen vrede, Maar altijd weer tobben!
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.