Job
Chapter 34
Reina-Valera 1909
vs Petrus Canisius Bi…
Aa
Text size
Line width
Verse numbers

Job 34

Reina-Valera 1909
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
1ADEMÁS respondió Eliú, y dijo:
1Elihoe vervolgde en sprak:
2Oid, sabios, mis palabras; y vosotros, doctos, estadme atentos.
2Gij wijzen, hoort naar mijn rede; Verstandigen, luistert naar mij:
3Porque el oído prueba las palabras, como el paladar gusta para comer.
3Want het oor toetst de woorden, Zoals het gehemelte spijzen keurt.
4Escojamos para nosotros el juicio, conozcamos entre nosotros cuál sea lo bueno:
4We moeten zelf onderzoeken, wat recht is, Onder elkander beslissen wat goed is.
5Porque Job ha dicho: Yo soy justo, y Dios me ha quitado mi derecho.
5Want Job heeft gezegd: Ik ben rechtschapen, Maar God onthoudt mij mijn recht;
6¿He de mentir yo contra mi razón? Mi saeta es gravosa sin haber yo prevaricado.
6Ondanks mijn recht moet ik lijden, Mijn wonde is ongeneeslijk, al ben ik niet schuldig!
7¿Qué hombre hay como Job, que bebe el escarnio como agua?
7Is er wel iemand als Job, Die godslastering als water drinkt,
8Y va en compañía con los que obran iniquidad, y anda con los hombres maliciosos.
8Die het gezelschap van boosdoeners opzoekt En met slechte lieden omgang heeft?
9Porque ha dicho: De nada servirá al hombre el conformar su voluntad con Dios.
9Want hij zegt: Wat baat het den mens, In God zijn behagen te stellen!
10Por tanto, varones de seso, oidme: Lejos esté de Dios la impiedad, y del Omnipotente la iniquidad.
10Verstandige lieden, hoort dus naar mij: Onmogelijk; God doet geen kwaad, de Almachtige geen onrecht;
11Porque él pagará al hombre según su obra, y él le hará hallar conforme á su camino.
11Want Hij vergeldt de mensen hun daden, Behandelt iedereen naar zijn gedrag!
12Sí, por cierto, Dios no hará injusticia, y el Omnipotente no pervertirá el derecho.
12Waarachtig, God kan geen onrecht begaan, De Almachtige het recht niet verkrachten!
13¿Quién visitó por él la tierra? ¿y quién puso en orden todo el mundo?
13Wie heeft de aarde onder zijn leiding gesteld Wie Hem met de hele wereld belast?
14Si él pusiese sobre el hombre su corazón, y recogiese así su espíritu y su aliento,
14Trekt Hij hun geest tot Zich terug, Neemt Hij tot Zich hun levensadem,
15Toda carne perecería juntamente, y el hombre se tornaría en polvo.
15Dan sterft onmiddellijk alle vlees, Keert de mens terug tot stof!
16Si pues hay en ti entendimiento, oye esto: escucha la voz de mis palabras.
16Zijt ge verstandig, luister hiernaar, En leen het oor aan mijn rede:
17¿Enseñorearáse el que aborrece juicio? ¿y condenarás tú al que es tan justo?
17Kan Hij, die het recht zou haten, besturen; Kan de Alrechtvaardige onrecht bedrijven?
18¿Hase de decir al rey: Perverso; y á los príncipes: Impíos?
18Hij, die tot den koning zegt: Belial Tot de edelen: Booswicht;
19¿ Cuánto menos á aquel que no hace acepción de personas de príncipes, ni el rico es de él más respetado que el pobre? porque todos son obras de sus manos.
19Die vorsten niet voortrekt, Den arme niet achterstelt bij den rijke. Neen, ze zijn allen het werk zijner handen,
20En un momento morirán, y á media noche se alborotarán los pueblos, y pasarán, y sin mano será quitado el poderoso.
20En sterven plotseling, midden in de nacht; Rijken worden opgeschrikt, en gaan heen, Machtigen verdwijnen, al steekt men er de hand niet naar uit.
21Porque sus ojos están sobre los caminos del hombre, y ve todos sus pasos.
21Want zijn ogen zijn op de wegen der mensen gericht, En Hij ziet al hun schreden;
22No hay tinieblas ni sombra de muerte donde se encubran los que obran maldad.
22Er bestaat geen duister of donker, Waarin de boosdoeners zich kunnen verbergen.
23No carga pues él al hombre más de lo justo , para que vaya con Dios á juicio.
23Neen, geen vaste tijd voor den mens, Om voor God ten gericht te verschijnen;
24El quebrantará á los fuertes sin pesquisa, y hará estar otros en su lugar.
24Hij verplettert den machtige zonder verhoor, En stelt anderen voor hem in de plaats.
25Por tanto él hará notorias las obras de ellos, cuando los trastornará en la noche, y serán quebrantados.
25Hij geeft dus acht op hun daden, Hij stort ze omver in de nacht;
26Como á malos los herirá en lugar donde sean vistos:
26Ze worden verbrijzeld tot straf voor hun boosheid, Hij tuchtigt ze op de plaats, waar allen het zien.
27Por cuanto así se apartaron de él, y no consideraron todos sus caminos;
27Want van Hem zijn ze afgeweken, En hebben op geen van zijn paden gelet;
28Haciendo venir delante de él el clamor del pobre, y que oiga el clamor de los necesitados.
28Ze hebben het kermen der armen tot Hem doen komen, Zodat Hij het klagen der ellendigen hoort.
29Y si él diere reposo, ¿quién inquietará? si escondiere el rostro, ¿quién lo mirará? Esto sobre una nación, y lo mismo sobre un hombre;
29Hield Hij Zich stil, wie zou ze beschuldigen Bedekte Hij zijn gelaat, wie wees hen terecht? Neen, Hij houdt volk en eenling in het oog,
30Haciendo que no reine el hombre hipócrita para vejaciones del pueblo.
30Opdat geen boze regeert, het volk niet zondigt.
31De seguro conviene se diga á Dios: Llevado he ya castigo , no más ofenderé:
31Maar als de boze tot God zegt: Ik heb gedwaald, Doch ik wil niet meer zondigen;
32Enséñame tú lo que yo no veo: que si hice mal, no lo haré más.
32Onderricht mij, totdat ik tot inzicht kom; Heb ik misdaan, ik doe het niet meer!
33¿ Ha de ser eso según tu mente? El te retribuirá, ora rehuses, ora aceptes, y no yo: di si no, lo que tú sabes.
33Moet Hij, volgens u, het dan toch maar vergelden, Omdat gij zijn gerechtigheid anders misprijst? Gij hebt te beslissen, niet ik; Spreek dus uit, wat ge meent!
34Los hombres de seso dirán conmigo, y el hombre sabio me oirá:
34Verstandige mensen zullen mij zeggen, Met den wijzen man, die mij hoort:
35Que Job no habla con sabiduría, y que sus palabras no son con entendimiento.
35Job heeft niet verstandig gesproken, Zijn rede getuigt niet van inzicht.
36Deseo yo que Job sea probado ampliamente, á causa de sus respuestas por los hombres inicuos.
36Waarachtig, Job zal ten einde toe worden beproefd, Om zijn antwoorden, boosdoeners waardig;
37Porque á su pecado añadió impiedad: bate las manos entre nosotros, y contra Dios multiplica sus palabras.
37Want hij heeft bij zijn zonde de misdaad gevoegd, Ons te honen, en tegen God een grote mond op te zetten!

Tip: use the ← and → keys to turn chapters.