Job 7
Reina-Valera 1909Translation
Reina-Valera 1909
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
1CIERTAMENTE tiempo limitado tiene el hombre sobre la tierra, y sus días son como los días del jornalero.
1Heeft de mens niet een krijgsdienst op aarde, Gelijken zijn dagen niet op die van een knecht?
2Como el siervo anhela la sombra, y como el jornalero espera el reposo de su trabajo:
2Zoals een slaaf, die naar de schaduw verlangt, Zoals een knecht, die op zijn loon staat te wachten:
3Así poseo yo meses de vanidad, y noches de trabajo me dieron por cuenta.
3Zo werden maanden van ellende mijn deel, En nachten van lijden mijn lot;
4Cuando estoy acostado, digo: ¿Cuándo me levantaré? Y mide mi corazón la noche, y estoy harto de devaneos hasta el alba.
4Ga ik slapen, dan denk ik: wanneer wordt het dag, Als ik opsta: wanneer wordt het avond? Maar de avond blijft zich eindeloos rekken, En ik blijf vol onrust tot aan de morgen;
5Mi carne está vestida de gusanos, y de costras de polvo; mi piel hendida y abominable.
5Mijn vlees is met maden en korsten bedekt, Mijn huid splijt open en draagt;
6Y mis días fueron más ligeros que la lanzadera del tejedor, y fenecieron sin esperanza.
6Mijn dagen zijn sneller dan een weversspoel, En lopen af, bij gebrek aan draad.
7Acuérdate que mi vida es viento, y que mis ojos no volverán á ver el bien.
7Bedenk, dat mijn leven een ademtocht is, Dat mijn oog nooit meer het geluk zal aanschouwen;
8Los ojos de los que me ven, no me verán más: tus ojos sobre mí, y dejaré de ser.
8Dat het oog van hem, die mij ziet, mij niet meer zal speuren, En wanneer gij uw blik op mij richt, ik er niet meer zal zijn.
9La nube se consume, y se va: así el que desciende al sepulcro no subirá;
9Zoals een wolk vervliegt en verdwijnt, Zo stijgt, die in het dodenrijk daalt, er niet meer uit op;
10No tornará más á su casa, ni su lugar le conocerá más.
10Hij keert naar zijn huis niet meer terug, En zijn eigen woonplaats kent hem niet langer!
11Por tanto yo no reprimiré mi boca; hablaré en la angustia de mi espíritu, y quejaréme con la amargura de mi alma.
11En daarom zal ik mijn mond niet snoeren, Maar spreken in de benauwdheid van mijn geest, En klagen in de bitterheid van mijn ziel: Gij dwingt mij er toe!
12¿Soy yo la mar, ó ballena, que me pongas guarda?
12Ik ben toch geen zee, of geen monster der zee Dat gij mij een slot oplegt!
13Cuando digo: Mi cama me consolará, mi cama atenuará mis quejas;
13Wanneer ik denk: mijn bed brengt mij troost, Mijn sponde zal mijn zuchten verlichten:
14Entonces me quebrantarás con sueños, y me turbarás con visiones.
14Dan gaat Gij mij door dromen verschrikken, En jaagt mij door visioenen ontsteltenis aan;
15Y así mi alma tuvo por mejor el ahogamiento, y quiso la muerte más que mis huesos.
15Zodat ik nog liever word gewurgd, En de dood boven mijn smarten verkies.
16Aburríme: no he de vivir yo para siempre; déjame, pues que mis días son vanidad.
16Ik verdwijn, ik blijf niet altijd in leven, Laat mij met rust, want mijn dagen zijn enkel een zucht!
17¿Qué es el hombre, para que lo engrandezcas, y que pongas sobre él tu corazón,
17Wat is de mens, dat Gij zoveel belang in hem stelt, En hem uw aandacht blijft wijden;
18Y lo visites todas las mañanas, y todos los momentos lo pruebes?
18Dat Gij morgen aan morgen hem nagaat, En hem elk ogenblik toetst?
19¿Hasta cuándo no me dejarás, ni me soltarás hasta que trague mi saliva?
19Wanneer wendt Gij eindelijk eens uw oog van mij af, En laat Gij mij tijd, om mijn speeksel te slikken?
20Pequé, ¿qué te haré, oh Guarda de los hombres? ¿por qué me has puesto contrario á ti, y que á mí mismo sea pesado?
20Heb ik gezondigd: wat deed ik U, Gij Mensenbewaker! Waarom hebt Gij mij tot uw mikpunt gemaakt, En ben ik U maar tot last;
21¿Y por qué no quitas mi rebelión, y perdonas mi iniquidad? porque ahora dormiré en el polvo, y si me buscares de mañana, ya no seré.
21Waarom niet liever mijn zonde vergeven, En mijn misdaad vergeten? Want weldra lig ik neer in het stof: Dan kunt Gij me zoeken, maar ik ben er niet meer!
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.