Giobbe
Chapter 7
Diodati Bibbia 1885
vs Petrus Canisius Bi…
Aa
Text size
Line width
Verse numbers

Giobbe 7

Diodati Bibbia 1885
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
1Non ha l'uomo un termine della sua milizia in su la terra? E non sono i suoi giorni simili a quelli di un mercenario?
1Heeft de mens niet een krijgsdienst op aarde, Gelijken zijn dagen niet op die van een knecht?
2Come il servo aspira all'ombra, E il mercenario aspetta il premio della sua opera;
2Zoals een slaaf, die naar de schaduw verlangt, Zoals een knecht, die op zijn loon staat te wachten:
3Così mi sono stati dati per eredità de' mesi molesti; E mi sono state assegnate per parte mia notti penose.
3Zo werden maanden van ellende mijn deel, En nachten van lijden mijn lot;
4Se mi son posto a giacere, dico: Quando mi leverò? Quando sarà passata la notte? E mi stanco di dimenarmi fino all'alba.
4Ga ik slapen, dan denk ik: wanneer wordt het dag, Als ik opsta: wanneer wordt het avond? Maar de avond blijft zich eindeloos rekken, En ik blijf vol onrust tot aan de morgen;
5La mia carne è rivestita di vermini, e di gromma di terra; La mia pelle si schianta, e si disfa.
5Mijn vlees is met maden en korsten bedekt, Mijn huid splijt open en draagt;
6I miei giorni son passati via più leggermente che la spola del tessitore, E son venuti meno senza speranza.
6Mijn dagen zijn sneller dan een weversspoel, En lopen af, bij gebrek aan draad.
7Ricordati che la mia vita è un vento, Che l'occhio mio non tornerà più a vedere il bene.
7Bedenk, dat mijn leven een ademtocht is, Dat mijn oog nooit meer het geluk zal aanschouwen;
8L'occhio di chi mi vede non mi riguarderà più ; Se tu rivolgi gli occhi verso me, io non sarò più.
8Dat het oog van hem, die mij ziet, mij niet meer zal speuren, En wanneer gij uw blik op mij richt, ik er niet meer zal zijn.
9Come la nuvola si dilegua, e se ne va via; Così chi scende nel sepolcro non ne salirà più fuori .
9Zoals een wolk vervliegt en verdwijnt, Zo stijgt, die in het dodenrijk daalt, er niet meer uit op;
10Egli non ritornerà più a casa sua, E il luogo suo non lo riconoscerà più.
10Hij keert naar zijn huis niet meer terug, En zijn eigen woonplaats kent hem niet langer!
11Io altresì non ratterrò la mia bocca; Io parlerò nell'angoscia del mio spirito, Io mi lamenterò nell'amaritudine dell'anima mia.
11En daarom zal ik mijn mond niet snoeren, Maar spreken in de benauwdheid van mijn geest, En klagen in de bitterheid van mijn ziel: Gij dwingt mij er toe!
12Sono io un mare, o una balena, Che tu mi ponga guardia attorno?
12Ik ben toch geen zee, of geen monster der zee Dat gij mij een slot oplegt!
13Quando io dico: La mia lettiera mi darà alleggiamento, Il mio letto solleverà parte del mio lamento;
13Wanneer ik denk: mijn bed brengt mij troost, Mijn sponde zal mijn zuchten verlichten:
14Allora tu mi sgomenti con sogni, E mi spaventi con visioni.
14Dan gaat Gij mij door dromen verschrikken, En jaagt mij door visioenen ontsteltenis aan;
15Talchè io nell'animo sceglierei innanzi di essere strangolato, E innanzi vorrei la morte che le mie ossa.
15Zodat ik nog liever word gewurgd, En de dood boven mijn smarten verkies.
16Io son tutto strutto; io non viverò in perpetuo; Cessati da me; conciossiachè i miei giorni non sieno altro che vanità.
16Ik verdwijn, ik blijf niet altijd in leven, Laat mij met rust, want mijn dagen zijn enkel een zucht!
17Che cosa è l'uomo, che tu ne faccia sì grande stima, Che tu ponga mente ad esso?
17Wat is de mens, dat Gij zoveel belang in hem stelt, En hem uw aandacht blijft wijden;
18E che tu lo visiti ogni mattina, E ad ogni momento l'esamini?
18Dat Gij morgen aan morgen hem nagaat, En hem elk ogenblik toetst?
19Fino a quando non ti rivolgerai indietro da me, E non mi darai alcuna posa, Tanto che io possa inghiottir la mia saliva?
19Wanneer wendt Gij eindelijk eens uw oog van mij af, En laat Gij mij tijd, om mijn speeksel te slikken?
20Io ho peccato; che opererò inverso te, o Guardiano degli uomini? Perchè mi hai posto per tuo bersaglio, E perchè sono io grave a me stesso?
20Heb ik gezondigd: wat deed ik U, Gij Mensenbewaker! Waarom hebt Gij mij tot uw mikpunt gemaakt, En ben ik U maar tot last;
21E perchè non perdoni il mio misfatto, E non rimuovi la mia iniquità? Conciossiachè di presente giacerò nella polvere; E, se poi tu mi ricerchi, io non sarò più .
21Waarom niet liever mijn zonde vergeven, En mijn misdaad vergeten? Want weldra lig ik neer in het stof: Dan kunt Gij me zoeken, maar ik ben er niet meer!

Tip: use the ← and → keys to turn chapters.