Giobbe 19
Diodati Bibbia 1885Translation
Diodati Bibbia 1885
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
1E GIOBBE rispose, e disse:
1Job antwoordde, en sprak:
2Infino a quando addoglierete voi l'anima mia, E mi triterete con parole?
2Hoe lang nog blijft gij mij krenken, En mij onder woorden verpletteren?
3Già dieci volte voi mi avete fatta onta; Non vi vergognate voi di procedere così stranamente meco?
3Tien keer beschimpt gij mij reeds, En kwelt gij mij schaamteloos.
4Ma pure, sia così certamente che io abbia fallito, Il mio fallo dimorerà meco.
4Zelfs al had ik mij werkelijk misdragen, Dan raakt het wangedrag mij alleen;
5Se pur volete innalzarvi sopra a me, E volete rimproverarmi il mio vituperio,
5Gij mist het recht, een grote mond tegen mij op te zetten, Mijn schande mij te verwijten!
6Sappiate ora che Iddio mi ha sovvertito, E ch'egli mi ha intorniato della sua rete.
6Erkent toch eindelijk, dat God mij kastijdt, En mij in zijn net heeft verstrikt!
7Ecco, io grido violenza, e non sono esaudito; Io sclamo, e non mi si fa ragione.
7Zie, ik roep: “Geweld!” maar vind geen verhoring, Ik roep om hulp: mij geschiedt geen recht!
8Egli ha abbarrata la mia via sì che io non posso passare; Ed ha poste le tenebre sopra i miei sentieri.
8Hij heeft mijn weg versperd: ik kan niet voorbij, En duisternis op mijn paden gelegd;
9Egli mi ha spogliato della mia gloria, E mi ha tolta la corona del mio capo.
9Mijn eer heeft Hij mij ontroofd, De kroon mij van het hoofd gerukt.
10Egli mi ha disfatto d'ogn'intorno, sì che io me ne vo via; Ed ha fatta dileguar la mia speranza, come quella di un albero;
10Hij heeft mij van alle kant ondermijnd: en daar ga ik heen; Mijn hoop ontworteld als een boom,
11Ed ha accesa la sua ira contro a me, E mi ha reputato per uno de ' suoi nemici.
11Zijn gramschap tegen mij laten woeden, Mij als zijn vijand behandeld.
12Le sue schiere son venute tutte insieme, E si hanno spianata la via contro a me, E si sono accampate intorno al mio tabernacolo.
12Als één man rukken zijn benden aan, En banen hun weg naar mij heen; Ze legeren zich rond mijn tent, Ze zijn zonder genade!
13Egli ha allontanati d'appresso a me i miei fratelli; I miei conoscenti si son del tutto alienati da me.
13Mijn broeders houden zich verre van mij, Mijn bekenden zijn vreemden voor mij;
14I miei prossimi se ne son rimasti, Ed i miei conoscenti mi hanno dimenticato.
14Mijn verwanten verdwenen, Mijn gasten zijn mij vergeten.
15I miei famigliari, e le mie serventi, mi tengono per istraniero; Io paio loro un forestiere.
15Mijn slavinnen zien mij aan voor een vreemde, Ik ben een onbekende voor haar;
16Io chiamo il mio servitore, ed egli non risponde, Quantunque io lo preghi di mia bocca.
16Ik roep mijn slaaf: hij geeft mij geen antwoord, Zelfs al smeek ik er om.
17Il mio fiato è divenuto stranio alla mia moglie, Benchè io la supplichi per li figliuoli del mio ventre.
17Mijn vrouw walgt van mijn adem, En ik stink voor mijn zonen;
18Fino a' piccoli fanciulli mi disdegnano; Se io mi levo, sparlano di me.
18Zelfs de kinderen minachten mij, En brutaliseren mij, als ik optreed.
19Tutti i miei consiglieri segreti mi abbominano; E quelli che io amava si son rivolti contro a me.
19Al mijn getrouwen verafschuwen mij, Die ik liefhad, keren zich van mij af;
20Le mie ossa sono attaccate alla mia pelle ed alla mia carne; E non mi è rimasto altro di salvo che la pelle d'intorno a' miei denti.
20Mijn vlees teert weg in mijn huid Met mijn tanden knaag ik mijn beenderen af.
21Abbiate pietà di me, abbiate pietà di me, o voi amici miei; Perciocchè la mano del Signore mi ha toccato.
21Erbarming, erbarming: gij tenminste, mijn vrienden, Want de hand van God heeft mij geraakt;
22Perchè mi perseguitate voi come Iddio, E non vi saziate della mia carne?
22Waarom mij als een hert vervolgen, Nooit verzadigd aan mijn vlees!
23Oh! fosser pur ora scritti i miei ragionamenti! Oh! fosser pure stampati in un libro!
23O, werden mijn woorden opgeschreven, Opgetekend in een boek,
24Oh! fossero in sempiterno intagliati con uno scarpello di ferro E con del piombo, sopra un sasso!
24Met een stift van ijzer en lood Voor eeuwig op een rots gegrift:
25Ora, quant'è a me, io so che il mio Redentore vive, E che nell'ultimo giorno egli si leverà sopra la polvere;
25Ik weet, dat mijn Verlosser leeft, En ten leste op de aarde verschijnt;
26E quantunque , dopo la mia pelle, questo corpo sia roso, Pur vedrò con la carne mia Iddio;
26Dat ik mij zal oprichten achter mijn huid, En van mijn vlees uit, God zal aanschouwen!
27Il quale io vedrò, gli occhi miei lo vedranno, e non un altro; Le mie reni si consumano in me.
27Ja, ik zal Hem aanschouwen, Mijn ogen zullen Hem zien, maar niet meer als vijand; Mijn nieren smachten in mijn schoot,
28Anzi dovreste dire: Perchè lo perseguitiamo noi? Poichè la radice della parola si ritrova in me.
28En wanneer gij dan zegt: Hoe vervolgen we hem, Welk voorwendsel zullen we tegen hem vinden;
29Temiate della spada; Perciocchè il supplicio dell'iniquità è la spada; Acciocchè sappiate che vi è un giudicio.
29Ducht dan het zwaard voor uzelf, Want dan zal de Gramschap de bozen verdelgen! Om te weten, of er gerechtigheid is!
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.