Giobbe
Chapter 14
Diodati Bibbia 1885
vs Petrus Canisius Bi…
Aa
Text size
Line width
Verse numbers

Giobbe 14

Diodati Bibbia 1885
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
1L'uomo nato di donna È di breve età, e pieno di travagli.
1De mens, geboren uit een vrouw, Leeft korte tijd en vol ellende;
2Egli esce fuori come un fiore, e poi è reciso; E fugge come l'ombra, e non istà fermo.
2Hij ontluikt en verwelkt als een bloem, Vliedt heen als een schaduw, en houdt geen stand:
3E pur tu apri gli occhi tuoi sopra un tale, E mi fai venire a giudicio teco!
3En op zo een vestigt Gij uw oog, En daagt Gij voor uw gericht!
4Chi può trarre una cosa monda da una immonda? Niuno.
4Kan een reine uit een onreine komen? Niet een!
5Poichè i suoi giorni son determinati, E che il numero de' suoi mesi è appo te, E che tu gli hai posti i suoi termini, I quali egli non può trapassare,
5Maarwanneer dus zijn dagen zijn vastgesteld, Het getal zijner maanden door U is bepaald, Gij hem zijn grens hebt gesteld, die hij niet overschrijdt:
6Rivolgiti d'addosso a lui, sì ch'egli abbia alcuna posa, Infino a tanto che di buona voglia egli fornisca la sua giornata, come un mercenario.
6Wend dan uw blik van Hem af, en laat hem met rust, Tot hij zijn dagtaak als een huurling volbracht heeft!
7Perciocchè quantunque un albero sia tagliato, Pur vi è speranza per lui, ch'egli si rinnoverà ancora, E che i suoi rampolli non mancheranno.
7Ja, voor een boom is er hoop, als hij wordt omgehakt: Hij loopt weer uit, en zijn loten houden niet op.
8Benchè la sua radice sia invecchiata nella terra, E il suo tronco sia morto nella polvere;
8Al is ook zijn wortel in de bodem verouderd, Afgestorven zijn tronk in het stof:
9Pur nondimeno, tosto ch'egli sentirà l'acqua, rigermoglierà, E produrrà rami come una pianta novella .
9Hij bot weer uit, zodra hij het water maar ruikt, Schiet takken als een jonge plant.
10Ma l'uomo muore, e si fiacca; E quando l'uomo è trapassato, ov' è egli?
10Maar sterft een mens, ontzield blijft hij liggen Geeft hij de geest, hij is er niet meer.
11Le acque se ne vanno via dal mare, E i fiumi si seccano, e si asciugano;
11Zoals water wegvloeit uit de zee, De rivier leegloopt en uitdroogt:
12Così, quando l'uomo giace in terra, egli non risorge; Finchè non vi sieno più cieli, i morti non si risveglieranno, E non si desteranno dal sonno loro.
12Zo legt de mens zich neer, en staat niet meer op En wordt niet wakker uit zijn slaap. 14:12b Zolang de hemel bestaat, ontwaken zij niet!
13Oh! nascondessimi tu pur sottera, Ed occultassimi, finchè l'ira tua fosse racquetata; E ponessimi alcun termine, dopo il quale tu ti ricordassi di me!
13Ach, als Gij mij in het dodenrijk mocht verschuilen, Mij verbergen, tot uw toorn is bedaard, Mij een tijdstip bepalen, en dan aan mij denken,
14Se l'uomo muore, può egli tornare in vita? Aspetterò io tutti i giorni del tempo determinato della mia vita, Finchè mi venga mutamento di condizione?
14Den mens na zijn dood deedt herleven: Dan zou ik al de dagen van mijn harde dienst blijven wachten, Tot mijn aflossing komt!
15E che tu mi chiami, e che io ti risponda, E che tu desideri l'opera delle tue mani?
15Hoe zou ik dan antwoorden, als Gij riept Als Gij het werk uwer handen verlangend kwaamt zoeken!
16Perciocchè ora tu conti i miei passi, E non riserbi nulla a punir del mio peccato.
16Terwijl Gij thans mijn schreden telt, Zoudt Gij niet langer op mijn zonden meer loeren,
17I miei misfatti son suggellati in un sacchetto, Tu l'hai cucito sopra le mie iniquità.
17Maar in een buidel mijn overtreding verzegelen, En mijn fouten bedekken!
18Ma certo, come un monte cadendo scoscende, Ed una rupe è divelta dal suo luogo;
18Maar zoals een berg ineenstort, Een rots van haar plaats wordt gerukt,
19E le acque rodono le pietre, E i lor diluvi inondano la polvere dalla terra; Così tu fai perir la speranza dell'uomo.
19Het water de stenen uitholt, Een stortregen de aardbodem wegspoelt: Zo slaat Gij de hoop der mensen de bodem in,
20Tu lo sopraffai in eterno, ed egli se ne va; Tu gli fai mutar faccia, e lo mandi via.
20Gij slaat hem neer, hij gaat heen voor altijd; Gij verbleekt zijn gelaat, en zendt hem weg.
21Se poi i suoi figliuoli sono in onore, egli nol sa; Se altresì sono abbassati, egli non vi pon mente.
21Zijn zonen mogen worden geëerd: hij ziet het niet; Tot schande komen: hij bemerkt het niet.
22La sua carne si duole sol di lui, E l'anima sua fa cordoglio sol di lui.
22Slechts over zijn eigen lichaam voelt hij smart, Blijft over zijn eigen ziel in droefheid gedompeld!

Tip: use the ← and → keys to turn chapters.