Giobbe 30
Diodati Bibbia 1885Translation
Diodati Bibbia 1885
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
1Ma ora, quelli che son minori d'età di me si ridono di me, I cui padri io non avrei degnato mettere Co' cani della mia graggia.
1Maar thans lachen jongere mensen mij uit, Lieden, wier vaders te min voor mij waren, Om ze bij mijn herdershonden te zetten;
2Ed anche, che mi avrebbe giovato la forza delle lor mani? La vecchiezza era perduta per loro.
2Wier sterke hand mij zelfs niet kan dienen, Daar al hun kracht verloren ging,
3Di bisogno e di fame, Vivevano in disparte, e solitari; Fuggivano in luoghi aridi, tenebrosi, desolati, e deserti.
3Door gebrek en honger is uitgeput. Lieden, die de stronken afknagen in de woestijn, In het land der steppe en wildernis;
4Coglievano la malva presso agli arboscelli, E le radici de' ginepri, per iscaldarsi.
4Die zilte kruiden van de struiken plukken, En zich voeden met de wortels der brem;
5Erano scacciati d'infra la gente ; Ei si gridava dietro a loro, come dietro ad un ladro.
5Die uit de samenleving zijn weggejaagd, En die men naschreeuwt als dieven.
6Dimoravano ne' dirupi delle valli, Nelle grotte della terra e delle rocce.
6Lieden, die in de krochten van afgronden wonen, In aardholen en rotsen;
7Ruggivano fra gli arboscelli; Si adunavano sotto a' cardi.
7Die balken tussen de struiken, Samenhokken onder de netels;
8Erano gente da nulla, senza nome, Scacciata dal paese.
8Die als een dwaas en naamloos broed Weggezweept zijn uit het land.
9Ed ora io son la lor canzone, E il soggetto de' lor ragionamenti.
9En thans ben ik hun spotlied geworden, En de stof voor hun praat.
10Essi mi abbominano, si allontanano da me, E non si rattengono di sputarmi nel viso.
10Vol afschuw blijven ze op een afstand staan, En ontzien zich niet, mij in het gezicht te spuwen.
11Perciocchè Iddio ha sciolto il mio legame, e mi ha afflitto; Laonde essi hanno scosso il freno, per non riverir più la mia faccia.
11Zij mishandelen mij, nu ze hun teugel hebben losgerukt Hun breidel hebben afgeworpen.
12I giovanetti si levano contro a me dalla man destra, mi spingono i piedi, E si appianano le vie contro a me, per traboccarmi in ruina;
12Aan mijn rechterhand verheft zich dat broed, Mijn voeten stoten hen weg; Ze banen tegen mij hun onheilspaden,
13Hanno tagliato il mio cammino, si avanzano alla mia perdizione, Niuno li aiuta;
13En vernielen mijn weg, om mij te verderven. Ze trekken op, er is niemand, die hen weerhoudt,
14Sono entrati come per una larga rottura, Si sono rotolati sotto le ruine.
14Als door een wijde bres rukken ze aan. Onder de puinhopen kwam ze aangerold
15Spaventi si son volti contro a me, Perseguitano l'anima mia come il vento; E la mia salvezza è passata via come una nuvola.
15Keerde zich tegen mij de verschrikking; Als een stormwind waaide mijn aanzien weg, Mijn geluk dreef voorbij als een wolk.
16Ed ora l'anima mia si versa sopra me, I giorni dell'afflizione mi hanno aggiunto.
16En thans stort zich mijn ziel in mij uit, Grijpen de dagen van rampspoed mij aan!
17Di notte egli mi trafigge l'ossa addosso; E le mie arterie non hanno alcuna posa.
17Des nachts wordt mijn gebeente doorboord, En nemen mijn knagende pijnen geen rust;
18La mia vesta è tutta cangiata, per la quantità della marcia delle piaghe , E mi stringe come la scollatura del mio saio.
18Door het grote geweld is mijn vlees ontredderd, Het knelt mij als de kraag van mijn kleed.
19Egli mi ha gittato nel fango, E paio polvere e cenere.
19God heeft mij in de modder geworpen, Ik zie er uit als stof en as.
20Io grido a te, e tu non mi rispondi; Io mi presento davanti a te , e tu non poni mente a me.
20Ik roep tot U, maar Gij antwoordt niet; Ik sta overeind, maar Gij let niet op mij.
21Tu ti sei mutato in crudele inverso me; Tu mi contrasti con la forza delle tue mani.
21Gij zijt wreed tegen mij, Met uw krachtige hand bestookt Gij mij;
22Tu mi hai levato ad alto; tu mi fai cavalcar sopra il vento, E fai struggere in me ogni virtù.
22Gij heft mij op, jaagt mij voort op de wind, Een noodweer lost mij in water op.
23Io so certamente che tu mi ridurrai alla morte, Ed alla casa assegnata ad ogni vivente.
23Ja, ik weet, Gij leidt mij ten dode, Naar de verzamelplaats van al wat leeft.
24Pur non istenderà egli la mano nell'avello; Quelli che vi son dentro gridano essi, quando egli distrugge?
24Maar steekt een drenkeling de hand niet uit, Roept men in zijn ellende niet om hulp?
25Non piangeva io per cagion di colui che menava dura vita? L'anima mia non si addolorava ella per i bisognosi?
25Heb ik zelf niet geweend over den zwaar beproefde, Was ik over den arme niet zielsbedroefd?
26Perchè, avendo io sperato il bene, il mal sia venuto? Ed avendo aspettata la luce, sia giunta la caligine?
26Ja, ik hoopte op geluk, maar het onheil kwam; Ik verwachtte het licht, maar het duister viel in.
27Le mie interiora bollono, e non hanno alcuna posa; I giorni dell'afflizione mi hanno incontrato.
27Mijn binnenste kookt, en komt niet tot rust, Dagen van jammer treden mij tegen.
28Io vo bruno attorno, non già del sole; Io mi levo in pien popolo, e grido.
28Zwart loop ik rond, maar niet van de zon; Sta ik op in de gemeente, ik roep om hulp!
29Io son diventato fratello degli sciacalli, E compagno delle ulule.
29Ik ben een broer van de jakhalzen, Een makker der struisen;
30La mia pelle mi si è imbrunita addosso, E le mie ossa son calcinate d'arsura.
30Mijn huid is zwart, en laat van mij los, Mijn beenderen branden van koorts;
31E la mia cetera si è mutata in duolo, E il mio organo in voce di pianto.
31Mijn citer is voor rouwklacht gestemd, Mijn fluit voor geween!.
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.