Giobbe 21
Diodati Bibbia 1885Translation
Diodati Bibbia 1885
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
1E GIOBBE rispose, e disse:
1Job antwoordde, en sprak:
2Date udienza al mio ragionamento, E ciò mi sarà in vece delle vostre consolazioni.
2Luistert aandachtig naar wat ik ga zeggen; En dat uw troost zich daartoe bepale!
3Comportatemi che io parli; E poichè avrò parlato, beffatevi pure.
3Laat mij uitspreken op mijn beurt, Wanneer ik klaar ben, kunt ge spotten!
4Quant'è a me, il mio lamento si addirizza egli ad un uomo? E perchè non sarebbe distretto lo spirito mio?
4Heb ik me soms over mensen beklaagd, Of heb ik geen grond, om mismoedig te zijn?
5Riguardate a me, e stupite, E mettetevi la mano in su la bocca.
5Ziet mij aan, en staat verstomd, En legt uw hand op de mond!
6Io stesso, quando me ne ricordo, sono tutto attonito, E la carne mia ne prende orrore.
6Wanneer ik er aan denk, sta ik verbijsterd, En huivert mijn vlees:
7Perchè vivono gli empi? Perchè invecchiano, ed anche son forti e vigorosi?
7“Waarom blijven de bozen in leven Worden zij oud en groeien in kracht?”
8La lor progenie è stabilita nel lor cospetto, insieme con loro; E i lor discendenti son davanti agli occhi loro.
8Hun kroost gedijt voor hun aanschijn, Hun geslacht houdt stand voor hun ogen;
9Le case loro non sono se non pace, senza spavento; E la verga di Dio non è sopra loro.
9Hun huizen zijn veilig en zonder vrees, Gods roede valt er niet op neer.
10I lor tori ammontano, e non fallano; Le lor vacche figliano, e non isperdono.
10Hun stier bespringt en bevrucht, Hun koeien kalven en hebben geen misdracht;
11Essi mandano fuori i lor fanciulletti come pecore; E i lor figliuoli van saltellando.
11Als een kudde laten ze hun jongens naar buiten, En hun kinderen springen rond.
12Essi alzano la voce col tamburo e con la cetera; E si rallegrano al suon dell'organo.
12Ze zingen bij pauken en citer, Vermaken zich bij de tonen der fluit;
13Logorano la loro età in piacere, E poi in un momento scendono nel sepolcro.
13Ze slijten hun dagen in weelde, En dalen in vrede ten grave.
14Quantunque abbiano detto a Dio: Dipartiti da noi; Perciocchè noi non prendiam piacere nella conoscenza delle tue vie.
14Toch zeggen ze tot God: Blijf verre van ons, We willen uw wegen niet kennen!
15Che è l'Onnipotente, che noi gli serviamo? E che profitto faremo se lo preghiamo?
15Wat is de Almachtige, dat we Hem zouden dienen; Wat baat het ons, te smeken tot Hem?
16Ecco, il ben loro non è egli nelle lor mani? ( Sia il consiglio degli empi lungi da me.)
16Ligt hun geluk niet in hun eigen hand, Bemoeit Hij Zich wel met de plannen der bozen?
17Quante volte avviene egli che la lampana degli empi sia spenta, E che la lor ruina venga loro addosso, E che Iddio dià loro tormenti nella sua ira per lor parte?
17Hoe dikwijls gaat de lamp der bozen wel uit, En stort er rampspoed op hen neer? Hoe dikwijls vernielt Hij de slechten in zijn toorn, Grijpen de weeën hen aan in zijn gramschap;
18E che sieno come paglia al vento, E come pula che il turbo invola?
18Worden zij als stro voor de wind, Als kaf, opgejaagd door de storm?
19E che Iddio riserbi a' lor figliuoli la violenza da loro usata; O che egli la renda a loro stessi, e ch'essi lo sentano?
19Gij zegt: God wreekt zijn misdaad op zijn kinderen, En zal hem zo zijn wraak laten voelen!
20E che gli occhi loro veggano la lor ruina, E ch'essi bevano dell'ira dell'Onnipotente?
20Maar zijn eigen ogen moesten zijn rampspoed aanschouwen, Zelf moest hij de toorn van den Almachtige drinken!
21Perciocchè del rimanente , quale affezione avranno essi alle lor case, Da che il numero de' lor mesi sarà stato troncato?
21Want wat bekommert hij zich om zijn gezin na zijn dood, Wanneer het getal zijner maanden ten einde is?
22Potrebbesi insegnar scienza a Dio? Conciossiachè egli sia quel che giudica gli eccelsi.
22Zou men soms God de les willen lezen, Hij, die de hemelingen richt?
23Colui muore nel colmo della felicità, In compiuta pace e tranquillità.
23En de een gaat dood, geheel voldaan, Volkomen gelukkig en rustig,
24Le sue secchie son piene di latte, E le sue ossa sono abbeverate di midolla.
24Zijn lenden vol vet, Het merg in zijn beenderen nog fris.
25E costui muore, essendo in amaritudine d'animo, E non avendo giammai mangiato con diletto.
25De ander sterft met een verbitterd gemoed, Zonder ooit het geluk te hebben gesmaakt!
26Amendue giacciono nella polvere, E i vermini li coprono.
26Tezamen liggen ze neer in het stof, Door de wormen bedekt!
27Ecco, io conosco i vostri pensamenti, E i malvagi discorsi che voi fate contro a me a torto.
27Zeker, ik ken uw gedachten, En de bedenkingen, die gij tegen mij aanvoert;
28Perciocchè voi direte: Ove è la casa del magnifico? Ed ove sono i padiglioni ove abitavano gli empi?
28Gij zegt: “Waar is het huis van den tyran, Waar de tent, waar de bozen in wonen?”
29Non vi siete voi giammai informati da coloro che fanno viaggi? Voi non disdirete già i segnali ch'essi ne dànno;
29Hebt gij de reizigers dan nooit ondervraagd, Of aanvaardt gij hun getuigenis niet:
30Che il malvagio è riparato al giorno della ruina, Quando le ire sono sparse.
30“De boze blijft gespaard op de dag van verderf, En ontsnapt op de dag van de gramschap!”
31Chi gli rappresenterà la sua via in faccia? E chi gli farà la retribuzione di ciò ch'egli ha fatto?
31Wie houdt hem zijn wandel voor ogen, Wie zet hem betaald wat hij deed?
32Poi appresso egli è portato ne' sepolcri, E non attende più ad altro che all'avello.
32Hij wordt ten grave gedragen, En een tombe houdt er de wacht.
33I cespi della valle gli son dolci; Ed egli si tira dietro tutti gli uomini, Siccome davanti a lui ne son iti innumerabili.
33Zacht ligt hij neer Op de kluiten in het dal; Heel de wereld trekt achter hem aan, Talloos velen lopen uit voor zijn stoet.
34Come dunque mi consolate voi vanamente? Conciossiachè nelle vostre repliche vi sia sempre della prevaricazione.
34Wat is uw vertroosting dus schraal, Uw antwoord anders dan leugens!
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.