Giobbe 41
Diodati Bibbia 1885Translation
Diodati Bibbia 1885
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
1Trarrai tu fuori il leviatan con l'amo, O con una fune che tu gli avrai calata sotto alla lingua?
1Vangt gij den Krokodil met de angel, Bindt ge hem de tong met koorden vast;
2Gli metterai tu un uncino al muso? Gli forerai tu le mascelle con una spina?
2Steekt ge hem een stok door de neus, Haalt ge een ring door zijn kaken;
3Userà egli molti preghi teco? Ti parlerà egli con lusinghe?
3Zal hij heel veel tot u smeken, Of lieve woordjes tot u richten?
4Patteggerà egli teco, Che tu lo prenda per servo in perpetuo?
4Zal hij een contract met u sluiten, En neemt ge hem voorgoed in uw dienst;
5Scherzerai tu con lui, come con un uccello? E lo legherai tu con un filo, per darlo alle tue fanciulle?
5Kunt ge met hem als met een vogeltje spelen, Bindt ge hem voor uw dochtertjes vast;
6I compagni ne faranno essi un convito? Lo spartiranno essi fra i mercatanti?
6Kunnen uw makkers hem verhandelen, En onder de venters verdelen?
7Gli empirai tu la pelle di roncigli, E la testa di raffi da pescare?
7Kunt ge zijn huid met spiesen beplanten, Zijn kop met een vissersharpoen?
8Pongli pur la mano addosso, Tu non ricorderai mai più la guerra.
8Probeer eens, de hand op hem te leggen, Maar denk aan de strijd; ge doet het zeker niet weer,
9Ecco, la speranza di pigliar lo è fallace; Anzi l'uomo non sarà egli atterrato, solo a vederlo?
9Want uw hoop komt vast bedrogen uit! Reeds bij zijn aanblik wordt men neergeslagen
10Non vi è alcuno così feroce, che ardisca risvegliarlo; E chi potrà presentarsi davanti a me?
10Er is niemand vermetel genoeg, hem te wekken. Wie houdt voor hem stand,
11Chi mi ha prevenuto in darmi cosa alcuna? ed io gliela renderò; Quello che è sotto tutti i cieli è mio.
11Wie treedt tegen hem op, en blijft ongedeerd: Onder de ganse hemel Is er niet één!
12Io non tacerò le membra di quello, Nè ciò ch'è delle sue forze, nè la grazia della sua disposizione.
12Ik wil niet zwijgen over zijn leden, Maar spreken over zijn nooit geëvenaarde kracht.
13Chi scoprirà il disopra della sua coverta? Chi verrà a lui con le sue doppie redini?
13Wie heeft ooit zijn kleed opgelicht, Is doorgedrongen tussen zijn dubbel kuras?
14Chi aprirà gli usci del suo muso? Lo spavento è d'intorno a' suoi denti.
14Wie opent de dubbele deur van zijn muil; Rondom zijn tanden verschrikking!
15I suoi forti scudi sono una cosa superba; Son serrati strettamente come con un suggello.
15Zijn rug is als rijen van schilden, Die als een muur van steen hem omsluiten
16L'uno si attiene all'altro, Talchè il vento non può entrar per entro.
16Het een ligt vlak naast het ander, Geen tocht kan er door;
17Sono attaccati gli uni agli altri, ed accoppiati insieme, E non possono spiccarsi l'uno dall'altro.
17Ze grijpen aan elkander vast, En sluiten onscheidbaar aaneen.
18I suoi starnuti fanno sfavillar della luce, E i suoi occhi son simili alle palpebre dell'alba.
18Door zijn niezen danst het licht, Zijn ogen zijn als de wimpers van het morgenrood;
19Della sua gola escono fiaccole, Scintille di fuoco ne sprizzano.
19Uit zijn muil steken toortsen, En schieten vuurvonken uit;
20Delle sue nari esce un fumo, Come d'una pignatta bollente, o d 'una caldaia.
20Er stijgt rook uit zijn neusgaten op, Als uit een dampende en ziedende ketel.
21L'alito suo accende i carboni, E fiamma esce della sua bocca.
21Zijn adem zet kolen in vuur, Uit zijn bek stijgen vlammen omhoog;
22La possa alberga nel suo collo, E la doglia tresca davanti a lui.
22In zijn nek zetelt kracht, Ontsteltenis danst voor hem uit;
23Le polpe della sua carne son compresse; Egli ha la carne addosso soda, e non tremola punto.
23Zijn vleeskwabben sluiten stevig aaneen, Onbeweeglijk aan hem vastgegoten;
24Il cuor suo è sodo come una pietra, E massiccio come un pezzo della macina disotto.
24Zijn hart is vast als een kei, Hecht als een onderste molensteen:
25I più forti e valenti hanno paura di lui, quando egli si alza; E si purgano de' lor peccati, per lo gran fracasso.
25Voor zijn majesteit sidderen de baren Trekken de golven der zee zich terug.
26Nè la spada di chi l'aggiunger à potrà durare, Nè l'asta, nè lo spuntone, nè la corazza:
26Het zwaard, dat hem treft, is er niet tegen bestand, Geen lans, geen speer en geen schicht.
27Egli reputa il ferro per paglia, E il rame per legno intarlato.
27Hij rekent het ijzer voor stro, Voor vermolmd hout het koper;
28La saetta non lo farà fuggire; Le pietre della frombola si mutano inverso lui in istoppia.
28Geen pijlen jagen hem op de vlucht, Slingerstenen zijn hem maar kaf;
29Gli ordigni son da lui riputati stoppia; Ed egli si beffa del vibrare dello spuntone.
29Een werpspies schijnt hem een riet, Hij lacht om het suizen der knots.
30Egli ha sotto di sè de' testi pungenti; Egli striscia come una trebbia di ferro in sul pantano.
30Onder zijn buik zitten puntige scherven, Als een dorsslee krabt hij ermee op het slijk;
31Egli fa bollire il profondo mare come una caldaia; Egli rende il mare simile a una composizione d'unguentaro.
31Hij doet de afgrond koken als een ketel, Verandert de zee in een wierookpan;
32Egli fa rilucere dietro a sè un sentiero, E l'abisso pare canuto.
32Achter hem aan een lichtend spoor, Als had de afgrond zilveren lokken.
33Non vi è alcuno animale in su la terra che gli possa essere assomigliato, Che sia stato fatto per esser senza paura.
33Zijns gelijke is er op aarde niet; Geschapen, om niemand te vrezen;
34Egli riguarda ogni cosa eccelsa, Ed è re sopra tutte le più fiere belve.
34Op al wat trots is, ziet hij neer, Hij is koning over alle verscheurende beesten!
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.