Giobbe 31
Diodati Bibbia 1885Translation
Diodati Bibbia 1885
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
1Io avea fatto patto con gli occhi miei; Come dunque avrei io mirata la vergine?
1Toch had ik een verbond met mijn ogen gesloten, Om niet te kijken naar een maagd.
2E pur quale è la parte che Iddio mi ha mandata da alto? E quale è l'eredità che l'Onnipotente mi ha data da' luoghi sovrani?
2Want wat is het lot, door God in den hoge beschikt, Het erfdeel door den Almachtige daarboven bepaald?
3La ruina non è ella per lo perverso, E gli accidenti strani per gli operatori d'iniquità?
3Het is de ondergang voor den ongerechte, Voor den boosdoener onheil!
4Non vede egli le mie vie? E non conta egli tutti i miei passi?
4Slaat Hij mijn wegen niet gade, En telt Hij al mijn schreden niet?
5Se io son proceduto con falsità, E se il mio piè si è affrettato alla fraude,
5Ben ik ooit met leugens omgegaan, Of heeft zich mijn voet gerept tot bedrog?
6Pesimi pure Iddio con bilance giuste, E conoscerà la mia integrità.
6God wege mij slechts op een eerlijke schaal, En Hij zal mijn onschuld moeten erkennen!
7Se i miei passi si sono stornati dalla diritta via, E se il mio cuore è ito dietro agli occhi miei, E se alcuna macchia mi è rimasta attaccata alla mano;
7Indien mijn tred is afgeweken Van het rechte pad; Mijn hart mijn ogen achterna is gelopen, Of smetten aan mijn handen kleven:
8Semini pure io, e un altro se lo mangi; E sieno diradicati i miei rampolli.
8Dan moge ik zaaien, een ander het eten, En wat ik geplant heb, worde uitgerukt!
9Se il mio cuore è stato allettato dietro ad alcuna donna, E se io sono stato all'agguato all'uscio del mio prossimo;
9Indien mijn hart is verleid door een vrouw, Ik geloerd heb aan de deur van mijn naaste:
10Macini pur la mia moglie ad un altro, E chininsi altri addosso a lei.
10Dan moge mijn vrouw voor een ander malen, En mogen anderen haar bezitten;
11Perciocchè quello è una scelleratezza, Ed una iniquità da giudici.
11Want dat zou een schanddaad zijn, En een halszaak voor het gerecht!
12Conciossiachè quello sarebbe stato un fuoco Che mi avrebbe consumato fino a perdizione, E avrebbe diradicata tutta la mia rendita.
12Dan brande een vuur tot het dodenrijk En vertere heel mijn bezit!
13Se io ho disdegnato di comparire in giudicio col mio servitore, E con la mia servente, Quando hanno litigato meco;
13Indien ik het recht van mijn slaaf heb verkracht, Of van mijn slavin, met mij in geschil:
14E che farei io, quando Iddio si leverà? E quando egli ne farà inchiesta, che gli risponderei?
14Wat zou ik doen, als God Zich verhief, Wat Hem antwoorden, als Hij de zaak onderzocht?
15Colui che mi ha fatto nel seno non ha egli fatto ancora lui? Non è egli un medesimo che ci ha formati nella matrice?
15Heeft Hij, die mij in de moederschoot schiep, ook hen niet gemaakt, Heeft niet Een en Dezelfde ons in haar lichaam gevormd?
16Se io ho rifiutato a' poveri ciò che desideravano, Ed ho fatti venir meno gli occhi della vedova;
16Heb ik ooit een arme een bede geweigerd, De ogen van een weduwe laten versmachten;
17E se ho mangiato tutto solo il mio boccone, E se l'orfano non ne ha eziandio mangiato;
17Heb ik ooit alleen mijn brood genuttigd, En de wees daarvan niet mee laten eten?
18(Conciossiachè dalla mia faciullezza esso sia stato allevato meco, Come appresso un padre; Ed io abbia dal ventre di mia madre avuta cura della vedova );
18Neen, van kindsbeen af bracht ik hem groot als een vader, Van de moederschoot af ben ik haar leidsman geweest.
19Se ho veduto che alcuno perisse per mancamento di vestimento, E che il bisognoso non avesse nulla da coprirsi;
19Heb ik ooit een zwerver zonder kleding gezien, Of een arme zonder bedekking;
20Se le sue reni non mi hanno benedetto, E se egli non si è riscaldato con la lana delle mie pecore;
20Hebben zijn lendenen mij niet moeten zegenen, Werd hij niet verwarmd door de wol mijner schapen?
21Se io ho levata la mano contro all'orfano, Perchè io vedeva chi mi avrebbe aiutato nella porta;
21Indien ik mijn hand tegen een rechtschapene ophief, Omdat ik bemerkte, dat men mij in de poort ondersteunde:
22Caggiami la paletta della spalla, E sia il mio braccio rotto, e divelto dalla sua canna.
22Dan valle mijn schouder uit het gewricht, Worde mijn arm uit het gelid gerukt;
23Perciocchè io avea spavento della ruina mandata da Dio, E che io non potrei durar per la sua altezza.
23Dan treffe mij de verschrikking van God, En ik houde geen stand voor zijn Majesteit!
24Se ho posto l'oro per mia speranza; E se ho detto all'oro fino: Tu sei la mia confidanza;
24Indien ik op goud mijn vertrouwen heb gesteld, Het fijnste goud mijn hoop heb genoemd;
25Se mi son rallegrato perchè le mie facoltà fosser grandi, E perchè la mia mano avesse acquistato assai;
25Mij verheugd heb ik in de macht van mijn rijkdom, En in de geweldige winst van mijn hand:
26Se ho riguardato il sole, quando risplendeva; E la luna facendo il suo corso, chiara e lucente;
26Indien ik heb opgestaard naar de stralende zon, Naar de glanzende maan, die haar weg vervolgde,
27E se il mio cuore è stato di nascosto sedotto, E la mia bocca ha baciata la mia mano;
27Zodat mijn hart in het geheim werd verleid, En mijn hand mijn mond heeft gekust
28Questa ancora è una iniquità da giudici; Conciossiachè io avrei rinnegato l'Iddio disopra.
28Ook dat zou een halszaak voor het gerecht zijn geweest, Omdat ik God in den hoge had verloochend!
29Se mi son rallegrato della calamità del mio nemico, Se mi son commosso di allegrezza , quando male gli era sopraggiunto,
29Heb ik mij in het ongeluk van mijn vijand verheugd, Of gejubeld, omdat onheil hem trof;
30Io che non pure ho recato il mio palato a peccare, Per chieder la sua morte con maledizione;
30Heb ik mijn gehemelte niet verboden te zondigen, En door een verwensing zijn leven te eisen;
31Se la gente del mio tabernacolo non ha detto: Chi ci darà della sua carne? Noi non ce ne potremmo giammai satollare…
31Hebben mijn tentgenoten niet gezegd: Wie verzadigt zich niet aan het vlees van zijn vijand?
32Il forestiere non è restato la notte in su la strada; Io ho aperto il mio uscio al viandante.
32De zwerver behoefde niet buiten te overnachten Voor den reiziger heb ik de deuren geopend.
33Se io ho coperto il mio misfatto, come fanno gli uomini, Per nasconder la mia iniquità nel mio seno…
33Indien ik mijn misdaad voor de mensen bedekt heb, In mijn boezem mijn schuld heb verborgen,
34Quantunque io potessi spaventare una gran moltitudine, Pure i più vili della gente mi facevano paura, Ed io mi taceva, e non usciva fuor della porta.
34Omdat ik de grote menigte vreesde, En bang was voor de verachting der geslachten: Dan moge ik verstommen, en de deur niet meer uitgaan,
35Oh! avessi io pure chi mi ascoltasse! Ecco, il mio desiderio è Che l'Onnipotente mi risponda, O che colui che litiga meco mi faccia una scritta;
35Wie zou er dan nog naar mij horen! Zie hier mijn handtekening! De Almachtige antwoorde mij; Mijn beschuldiger schrijve zijn aanklacht neer!
36Se io non la porto in su la spalla, E non me la lego attorno a guisa di bende.
36Waarachtig, ik wil ze op mijn schouder nemen Er mij als met een krans mee omhangen;
37Io gli renderei conto di tutti i miei passi, Io mi accosterei a lui come un capitano.
37Ik zal Hem mijn schreden een voor een tonen, En voor zijn aanschijn treden als een vorst!
38Se la mia terra grida contro a me, E se parimente i suoi solchi piangono;
38Indien mijn akker tegen mij klaagde Zijn voren gezamenlijk weenden;
39Se ho mangiati i suoi frutti senza pagamento, E se ho fatto sospirar l'anima de' suoi padroni;
39Indien ik zijn vrucht heb genoten, zonder te betalen, En zijn bezitter liet zuchten:
40In luogo del grano nasca mi il tribolo, E il loglio in luogo dell'orzo. Qui finiscono i ragionamenti di Giobbe.
40Dan mogen doornen opschieten inplaats van tarwe, En stinkend onkruid inplaats van gerst! Hier eindigen de woorden van Job.
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.