Job 31
Douay-Rheims Bible, American Edition (1899)Translation
Douay-Rheims Bible, American Edition (1899)
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
1I made a covenant with my eyes, that I would not so much as think upon a virgin.
1Toch had ik een verbond met mijn ogen gesloten, Om niet te kijken naar een maagd.
2For what part should God from above have in me, and what inheritance the Almighty from on high?
2Want wat is het lot, door God in den hoge beschikt, Het erfdeel door den Almachtige daarboven bepaald?
3Is not destruction to the wicked, and aversion to them that work iniquity?
3Het is de ondergang voor den ongerechte, Voor den boosdoener onheil!
4Doth not he consider my ways, and number all my steps?
4Slaat Hij mijn wegen niet gade, En telt Hij al mijn schreden niet?
5If I have walked in vanity, and my foot hath made haste to deceit:
5Ben ik ooit met leugens omgegaan, Of heeft zich mijn voet gerept tot bedrog?
6Let him weigh me in a just balance, and let God know my simplicity.
6God wege mij slechts op een eerlijke schaal, En Hij zal mijn onschuld moeten erkennen!
7If my step hath turned out of the way, and if my heart hath followed my eyes, and if a spot hath cleaved to my hands:
7Indien mijn tred is afgeweken Van het rechte pad; Mijn hart mijn ogen achterna is gelopen, Of smetten aan mijn handen kleven:
8Then let me sow and let another eat: and let my offspring be rooted out.
8Dan moge ik zaaien, een ander het eten, En wat ik geplant heb, worde uitgerukt!
9If my heart hath been deceived upon a woman, and if I have laid wait at my friend’s door:
9Indien mijn hart is verleid door een vrouw, Ik geloerd heb aan de deur van mijn naaste:
10Let my wife be the harlot of another, and let other men lie with her.
10Dan moge mijn vrouw voor een ander malen, En mogen anderen haar bezitten;
11For this is a heinous crime, and a most grievous iniquity.
11Want dat zou een schanddaad zijn, En een halszaak voor het gerecht!
12It is a fire that devoureth even to destruction, and rooteth up all things that spring.
12Dan brande een vuur tot het dodenrijk En vertere heel mijn bezit!
13If I have despised to abide judgment with my manservant, or my maidservant, when they had any controversy against me:
13Indien ik het recht van mijn slaaf heb verkracht, Of van mijn slavin, met mij in geschil:
14For what shall I do when God shall rise to judge? and when he shall examine, what shall I answer him?
14Wat zou ik doen, als God Zich verhief, Wat Hem antwoorden, als Hij de zaak onderzocht?
15Did not he that made me in the womb make him also: and did not one and the same form me in the womb?
15Heeft Hij, die mij in de moederschoot schiep, ook hen niet gemaakt, Heeft niet Een en Dezelfde ons in haar lichaam gevormd?
16If I have denied to the poor what they desired, and have made the eyes of the widow wait:
16Heb ik ooit een arme een bede geweigerd, De ogen van een weduwe laten versmachten;
17If I have eaten my morsel alone, and the fatherless hath not eaten thereof:
17Heb ik ooit alleen mijn brood genuttigd, En de wees daarvan niet mee laten eten?
18(For from my infancy mercy grew up with me: and it came out with me from my mother’s womb:)
18Neen, van kindsbeen af bracht ik hem groot als een vader, Van de moederschoot af ben ik haar leidsman geweest.
19If I have despised him that was perishing for want of clothing, and the poor man that had no covering:
19Heb ik ooit een zwerver zonder kleding gezien, Of een arme zonder bedekking;
20If his sides have not blessed me, and if he were not warmed with the fleece of my sheep:
20Hebben zijn lendenen mij niet moeten zegenen, Werd hij niet verwarmd door de wol mijner schapen?
21If I have lifted up my hand against the fatherless, even when I saw myself superior in the gate:
21Indien ik mijn hand tegen een rechtschapene ophief, Omdat ik bemerkte, dat men mij in de poort ondersteunde:
22Let my shoulder fall from its joint, and let my arm with its bones be broken.
22Dan valle mijn schouder uit het gewricht, Worde mijn arm uit het gelid gerukt;
23For I have always feared God as waves swelling over me, and his weight I was not able to bear.
23Dan treffe mij de verschrikking van God, En ik houde geen stand voor zijn Majesteit!
24If I have thought gold my strength, and have said to fine gold: My confidence:
24Indien ik op goud mijn vertrouwen heb gesteld, Het fijnste goud mijn hoop heb genoemd;
25If I have rejoiced over my great riches, and because my hand had gotten much.
25Mij verheugd heb ik in de macht van mijn rijkdom, En in de geweldige winst van mijn hand:
26If I beheld the sun when it shined, and the moon going in brightness:
26Indien ik heb opgestaard naar de stralende zon, Naar de glanzende maan, die haar weg vervolgde,
27And my heart in secret hath rejoiced, and I have kissed my hand with my mouth:
27Zodat mijn hart in het geheim werd verleid, En mijn hand mijn mond heeft gekust
28Which is a very great iniquity, and a denial against the most high God.
28Ook dat zou een halszaak voor het gerecht zijn geweest, Omdat ik God in den hoge had verloochend!
29If I have been glad at the downfall of him that hated me, and have rejoiced that evil had found him.
29Heb ik mij in het ongeluk van mijn vijand verheugd, Of gejubeld, omdat onheil hem trof;
30For I have not given my mouth to sin, by wishing a curse to his soul.
30Heb ik mijn gehemelte niet verboden te zondigen, En door een verwensing zijn leven te eisen;
31If the men of my tabernacle have not said: Who will give us of his flesh that we may be filled?
31Hebben mijn tentgenoten niet gezegd: Wie verzadigt zich niet aan het vlees van zijn vijand?
32The stranger did not stay without, my door was open to the traveller.
32De zwerver behoefde niet buiten te overnachten Voor den reiziger heb ik de deuren geopend.
33If as a man I have hid my sin, and have concealed my iniquity in my bosom.
33Indien ik mijn misdaad voor de mensen bedekt heb, In mijn boezem mijn schuld heb verborgen,
34If I have been afraid at a very great multitude, and the contempt of kinsmen hath terrified me: and I have not rather held my peace, and not gone out of the door.
34Omdat ik de grote menigte vreesde, En bang was voor de verachting der geslachten: Dan moge ik verstommen, en de deur niet meer uitgaan,
35Who would grant me a hearer, that the Almighty may hear my desire; and that he himself that judgeth would write a book,
35Wie zou er dan nog naar mij horen! Zie hier mijn handtekening! De Almachtige antwoorde mij; Mijn beschuldiger schrijve zijn aanklacht neer!
36That I may carry it on my shoulder, and put it about me as a crown?
36Waarachtig, ik wil ze op mijn schouder nemen Er mij als met een krans mee omhangen;
37At every step of mine I would pronounce it, and offer it as to a prince.
37Ik zal Hem mijn schreden een voor een tonen, En voor zijn aanschijn treden als een vorst!
38If my land cry against me, and with it the furrows thereof mourn:
38Indien mijn akker tegen mij klaagde Zijn voren gezamenlijk weenden;
39If I have eaten the fruits thereof without money, and have afflicted the soul of the tillers thereof:
39Indien ik zijn vrucht heb genoten, zonder te betalen, En zijn bezitter liet zuchten:
40Let thistles grow up to me instead of wheat, and thorns instead of barley.
40Dan mogen doornen opschieten inplaats van tarwe, En stinkend onkruid inplaats van gerst! Hier eindigen de woorden van Job.
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.