Jó
Chapter 31
Bíblia Portuguesa Mundia…
vs Petrus Canisius Bi…
Aa
Text size
Line width
Verse numbers
Bíblia Portuguesa Mundial (Brazilian Portuguese)
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
1“Fiz uma aliança com os meus olhos; como, então, eu poderia olhar com cobiça para uma jovem?
1Toch had ik een verbond met mijn ogen gesloten, Om niet te kijken naar een maagd.
2Pois qual é a porção que vem de Deus lá de cima, e a herança do Todo-Poderoso nas alturas?
2Want wat is het lot, door God in den hoge beschikt, Het erfdeel door den Almachtige daarboven bepaald?
3Não é a calamidade para os injustos, e o desastre para os que praticam a iniquidade?
3Het is de ondergang voor den ongerechte, Voor den boosdoener onheil!
4Acaso ele não vê os meus caminhos, e não conta todos os meus passos?
4Slaat Hij mijn wegen niet gade, En telt Hij al mijn schreden niet?
5“Se andei com falsidade, e o meu pé se apressou para o engano
5Ben ik ooit met leugens omgegaan, Of heeft zich mijn voet gerept tot bedrog?
6(que eu seja pesado em balança justa, para que Deus conheça a minha integridade);
6God wege mij slechts op een eerlijke schaal, En Hij zal mijn onschuld moeten erkennen!
7se o meu passo se desviou do caminho, se o meu coração seguiu os meus olhos, se alguma impureza se apegou às minhas mãos,
7Indien mijn tred is afgeweken Van het rechte pad; Mijn hart mijn ogen achterna is gelopen, Of smetten aan mijn handen kleven:
8então que eu semeie, e outro coma. Sim, que as colheitas do meu campo sejam arrancadas pelas raízes.
8Dan moge ik zaaien, een ander het eten, En wat ik geplant heb, worde uitgerukt!
9“Se o meu coração foi seduzido por uma mulher, e fiquei à espreita na porta do meu vizinho,
9Indien mijn hart is verleid door een vrouw, Ik geloerd heb aan de deur van mijn naaste:
10então que a minha esposa moa para outro, e que outros se deitem com ela.
10Dan moge mijn vrouw voor een ander malen, En mogen anderen haar bezitten;
11Pois isso seria um crime hediondo. Sim, seria uma iniquidade a ser punida pelos juízes,
11Want dat zou een schanddaad zijn, En een halszaak voor het gerecht!
12pois é um fogo que consome até a destruição, e arrancaria pelas raízes todo o meu ganho.
12Dan brande een vuur tot het dodenrijk En vertere heel mijn bezit!
13“Se desprezei a causa do meu servo ou da minha serva, quando eles tinham uma queixa contra mim,
13Indien ik het recht van mijn slaaf heb verkracht, Of van mijn slavin, met mij in geschil:
14o que, então, farei quando Deus se levantar? Quando ele me pedir contas, o que lhe responderei?
14Wat zou ik doen, als God Zich verhief, Wat Hem antwoorden, als Hij de zaak onderzocht?
15Aquele que me formou no ventre não o formou também? Não foi o mesmo que nos moldou no ventre?
15Heeft Hij, die mij in de moederschoot schiep, ook hen niet gemaakt, Heeft niet Een en Dezelfde ons in haar lichaam gevormd?
16“Se neguei aos pobres o seu desejo, ou fiz com que os olhos da viúva desfalecessem,
16Heb ik ooit een arme een bede geweigerd, De ogen van een weduwe laten versmachten;
17ou se comi o meu pedaço de pão sozinho, sem que o órfão comesse dele
17Heb ik ooit alleen mijn brood genuttigd, En de wees daarvan niet mee laten eten?
18(não, desde a minha juventude ele cresceu comigo como com um pai, e a tenho guiado desde o ventre da minha mãe);
18Neen, van kindsbeen af bracht ik hem groot als een vader, Van de moederschoot af ben ik haar leidsman geweest.
19se vi alguém perecer por falta de roupa, ou que o necessitado não tinha coberta;
19Heb ik ooit een zwerver zonder kleding gezien, Of een arme zonder bedekking;
20se o seu coração não me abençoou, se ele não foi aquecido com a lã das minhas ovelhas;
20Hebben zijn lendenen mij niet moeten zegenen, Werd hij niet verwarmd door de wol mijner schapen?
21se levantei a minha mão contra o órfão, porque vi que eu tinha apoio na porta;
21Indien ik mijn hand tegen een rechtschapene ophief, Omdat ik bemerkte, dat men mij in de poort ondersteunde:
22então que o meu ombro caia da omoplata, e que o meu braço seja quebrado do osso.
22Dan valle mijn schouder uit het gewricht, Worde mijn arm uit het gelid gerukt;
23Pois a calamidade que vem de Deus é um terror para mim. Por causa da sua majestade, eu nada poderia fazer.
23Dan treffe mij de verschrikking van God, En ik houde geen stand voor zijn Majesteit!
24“Se fiz do ouro a minha esperança, e disse ao ouro puro: ‘Você é a minha confiança’;
24Indien ik op goud mijn vertrouwen heb gesteld, Het fijnste goud mijn hoop heb genoemd;
25Se me alegrei porque a minha riqueza era grande, e porque a minha mão havia alcançado muito;
25Mij verheugd heb ik in de macht van mijn rijkdom, En in de geweldige winst van mijn hand:
26se olhei para o sol quando brilhava, ou para a lua movendo-se em esplendor,
26Indien ik heb opgestaard naar de stralende zon, Naar de glanzende maan, die haar weg vervolgde,
27e o meu coração foi secretamente seduzido, e a minha mão atirou um beijo da minha boca;
27Zodat mijn hart in het geheim werd verleid, En mijn hand mijn mond heeft gekust
28isso também seria uma iniquidade a ser punida pelos juízes, pois eu teria negado a Deus que está nas alturas.
28Ook dat zou een halszaak voor het gerecht zijn geweest, Omdat ik God in den hoge had verloochend!
29“Se me alegrei com a destruição daquele que me odiava, ou me exaltei quando o mal o alcançou
29Heb ik mij in het ongeluk van mijn vijand verheugd, Of gejubeld, omdat onheil hem trof;
30(certamente não permiti que a minha boca pecasse, pedindo a sua vida com uma maldição);
30Heb ik mijn gehemelte niet verboden te zondigen, En door een verwensing zijn leven te eisen;
31se os homens da minha tenda não disseram: ‘Quem pode encontrar alguém que não tenha se fartado com a sua carne?’
31Hebben mijn tentgenoten niet gezegd: Wie verzadigt zich niet aan het vlees van zijn vijand?
32(o estrangeiro não acampou na rua, mas abri as minhas portas ao viajante);
32De zwerver behoefde niet buiten te overnachten Voor den reiziger heb ik de deuren geopend.
33se, como Adão, encobri as minhas transgressões, escondendo a minha iniquidade no meu coração,
33Indien ik mijn misdaad voor de mensen bedekt heb, In mijn boezem mijn schuld heb verborgen,
34porque temia a grande multidão, e o desprezo das famílias me aterrorizava, de modo que me calei, e não saí da porta —
34Omdat ik de grote menigte vreesde, En bang was voor de verachting der geslachten: Dan moge ik verstommen, en de deur niet meer uitgaan,
35ah, se eu tivesse alguém para me ouvir! Eis aqui a minha assinatura! Que o Todo-Poderoso me responda! Que o meu acusador escreva a acusação contra mim!
35Wie zou er dan nog naar mij horen! Zie hier mijn handtekening! De Almachtige antwoorde mij; Mijn beschuldiger schrijve zijn aanklacht neer!
36Certamente eu a levaria sobre o meu ombro, e a amarraria a mim como uma coroa.
36Waarachtig, ik wil ze op mijn schouder nemen Er mij als met een krans mee omhangen;
37Eu lhe declararia o número dos meus passos. Eu me aproximaria dele como um príncipe.
37Ik zal Hem mijn schreden een voor een tonen, En voor zijn aanschijn treden als een vorst!
38Se a minha terra clamar contra mim, e os seus sulcos chorarem juntos;
38Indien mijn akker tegen mij klaagde Zijn voren gezamenlijk weenden;
39se comi os seus frutos sem pagar, ou fiz com que os seus donos perdessem a vida,
39Indien ik zijn vrucht heb genoten, zonder te betalen, En zijn bezitter liet zuchten:
40que cresçam espinheiros em lugar de trigo, e ervas daninhas em lugar de cevada.” As palavras de Jó terminaram.
40Dan mogen doornen opschieten inplaats van tarwe, En stinkend onkruid inplaats van gerst! Hier eindigen de woorden van Job.

Tip: use the ← and → keys to turn chapters.