Job
Chapter 31
Clementine Vulgate, 1598
vs Petrus Canisius Bi…
Aa
Text size
Line width
Verse numbers

Job 31

Clementine Vulgate, 1598
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
1[Pepigi fœdus cum oculis meis, ut ne cogitarem quidem de virgine.
1Toch had ik een verbond met mijn ogen gesloten, Om niet te kijken naar een maagd.
2Quam enim partem haberet in me Deus desuper, et hæreditatem Omnipotens de excelsis?
2Want wat is het lot, door God in den hoge beschikt, Het erfdeel door den Almachtige daarboven bepaald?
3Numquid non perditio est iniquo, et alienatio operantibus injustitiam?
3Het is de ondergang voor den ongerechte, Voor den boosdoener onheil!
4Nonne ipse considerat vias meas, et cunctos gressus meos dinumerat?
4Slaat Hij mijn wegen niet gade, En telt Hij al mijn schreden niet?
5Si ambulavi in vanitate, et festinavit in dolo pes meus,
5Ben ik ooit met leugens omgegaan, Of heeft zich mijn voet gerept tot bedrog?
6appendat me in statera justa, et sciat Deus simplicitatem meam.
6God wege mij slechts op een eerlijke schaal, En Hij zal mijn onschuld moeten erkennen!
7Si declinavit gressus meus de via, et si secutum est oculos meos cor meum, et si manibus meis adhæsit macula,
7Indien mijn tred is afgeweken Van het rechte pad; Mijn hart mijn ogen achterna is gelopen, Of smetten aan mijn handen kleven:
8seram, et alius comedat, et progenies mea eradicetur.
8Dan moge ik zaaien, een ander het eten, En wat ik geplant heb, worde uitgerukt!
9Si deceptum est cor meum super muliere, et si ad ostium amici mei insidiatus sum,
9Indien mijn hart is verleid door een vrouw, Ik geloerd heb aan de deur van mijn naaste:
10scortum alterius sit uxor mea, et super illam incurventur alii.
10Dan moge mijn vrouw voor een ander malen, En mogen anderen haar bezitten;
11Hoc enim nefas est, et iniquitas maxima.
11Want dat zou een schanddaad zijn, En een halszaak voor het gerecht!
12Ignis est usque ad perditionem devorans, et omnia eradicans genimina.
12Dan brande een vuur tot het dodenrijk En vertere heel mijn bezit!
13Si contempsi subire judicium cum servo meo et ancilla mea, cum disceptarent adversum me:
13Indien ik het recht van mijn slaaf heb verkracht, Of van mijn slavin, met mij in geschil:
14quid enim faciam cum surrexerit ad judicandum Deus? et cum quæsierit, quid respondebo illi?
14Wat zou ik doen, als God Zich verhief, Wat Hem antwoorden, als Hij de zaak onderzocht?
15Numquid non in utero fecit me, qui et illum operatus est, et formavit me in vulva unus?
15Heeft Hij, die mij in de moederschoot schiep, ook hen niet gemaakt, Heeft niet Een en Dezelfde ons in haar lichaam gevormd?
16Si negavi quod volebant pauperibus, et oculos viduæ expectare feci;
16Heb ik ooit een arme een bede geweigerd, De ogen van een weduwe laten versmachten;
17si comedi buccellam meam solus, et non comedit pupillus ex ea
17Heb ik ooit alleen mijn brood genuttigd, En de wees daarvan niet mee laten eten?
18(quia ab infantia mea crevit mecum miseratio, et de utero matris meæ egressa est mecum);
18Neen, van kindsbeen af bracht ik hem groot als een vader, Van de moederschoot af ben ik haar leidsman geweest.
19si despexi pereuntem, eo quod non habuerit indumentum, et absque operimento pauperem;
19Heb ik ooit een zwerver zonder kleding gezien, Of een arme zonder bedekking;
20si non benedixerunt mihi latera ejus, et de velleribus ovium mearum calefactus est;
20Hebben zijn lendenen mij niet moeten zegenen, Werd hij niet verwarmd door de wol mijner schapen?
21si levavi super pupillum manum meam, etiam cum viderem me in porta superiorem:
21Indien ik mijn hand tegen een rechtschapene ophief, Omdat ik bemerkte, dat men mij in de poort ondersteunde:
22humerus meus a junctura sua cadat, et brachium meum cum suis ossibus confringatur.
22Dan valle mijn schouder uit het gewricht, Worde mijn arm uit het gelid gerukt;
23Semper enim quasi tumentes super me fluctus timui Deum, et pondus ejus ferre non potui.
23Dan treffe mij de verschrikking van God, En ik houde geen stand voor zijn Majesteit!
24Si putavi aurum robur meum, et obrizo dixi: Fiducia mea;
24Indien ik op goud mijn vertrouwen heb gesteld, Het fijnste goud mijn hoop heb genoemd;
25si lætatus sum super multis divitiis meis, et quia plurima reperit manus mea;
25Mij verheugd heb ik in de macht van mijn rijkdom, En in de geweldige winst van mijn hand:
26si vidi solem cum fulgeret, et lunam incedentem clare,
26Indien ik heb opgestaard naar de stralende zon, Naar de glanzende maan, die haar weg vervolgde,
27et lætatum est in abscondito cor meum, et osculatus sum manum meam ore meo:
27Zodat mijn hart in het geheim werd verleid, En mijn hand mijn mond heeft gekust
28quæ est iniquitas maxima, et negatio contra Deum altissimum.
28Ook dat zou een halszaak voor het gerecht zijn geweest, Omdat ik God in den hoge had verloochend!
29Si gavisus sum ad ruinam ejus qui me oderat, et exsultavi quod invenisset eum malum:
29Heb ik mij in het ongeluk van mijn vijand verheugd, Of gejubeld, omdat onheil hem trof;
30non enim dedi ad peccandum guttur meum, ut expeterem maledicens animam ejus.
30Heb ik mijn gehemelte niet verboden te zondigen, En door een verwensing zijn leven te eisen;
31Si non dixerunt viri tabernaculi mei: Quis det de carnibus ejus, ut saturemur?
31Hebben mijn tentgenoten niet gezegd: Wie verzadigt zich niet aan het vlees van zijn vijand?
32foris non mansit peregrinus: ostium meum viatori patuit.
32De zwerver behoefde niet buiten te overnachten Voor den reiziger heb ik de deuren geopend.
33Si abscondi quasi homo peccatum meum, et celavi in sinu meo iniquitatem meam;
33Indien ik mijn misdaad voor de mensen bedekt heb, In mijn boezem mijn schuld heb verborgen,
34si expavi ad multitudinem nimiam, et despectio propinquorum terruit me: et non magis tacui, nec egressus sum ostium.
34Omdat ik de grote menigte vreesde, En bang was voor de verachting der geslachten: Dan moge ik verstommen, en de deur niet meer uitgaan,
35Quis mihi tribuat auditorem, ut desiderium meum audiat Omnipotens, et librum scribat ipse qui judicat,
35Wie zou er dan nog naar mij horen! Zie hier mijn handtekening! De Almachtige antwoorde mij; Mijn beschuldiger schrijve zijn aanklacht neer!
36ut in humero meo portem illum, et circumdem illum quasi coronam mihi?
36Waarachtig, ik wil ze op mijn schouder nemen Er mij als met een krans mee omhangen;
37Per singulos gradus meos pronuntiabo illum, et quasi principi offeram eum.
37Ik zal Hem mijn schreden een voor een tonen, En voor zijn aanschijn treden als een vorst!
38Si adversum me terra mea clamat, et cum ipsa sulci ejus deflent:
38Indien mijn akker tegen mij klaagde Zijn voren gezamenlijk weenden;
39si fructus ejus comedi absque pecunia, et animam agricolarum ejus afflixi:
39Indien ik zijn vrucht heb genoten, zonder te betalen, En zijn bezitter liet zuchten:
40pro frumento oriatur mihi tribulus, et pro hordeo spina.] Finita sunt verba Job.
40Dan mogen doornen opschieten inplaats van tarwe, En stinkend onkruid inplaats van gerst! Hier eindigen de woorden van Job.

Tip: use the ← and → keys to turn chapters.