Job
Chapter 5
Clementine Vulgate, 1598
vs Petrus Canisius Bi…
Aa
Text size
Line width
Verse numbers

Job 5

Clementine Vulgate, 1598
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
1[Voca ergo, si est qui tibi respondeat, et ad aliquem sanctorum convertere.
1Roep maar: er is niemand, die u antwoord geeft; Tot wien van de heiligen wilt ge u wenden?
2Vere stultum interficit iracundia, et parvulum occidit invidia.
2Het is dus de wrevel, die den dwaas vermoordt, De gramschap doodt dus den zot.
3Ego vidi stultum firma radice, et maledixi pulchritudini ejus statim.
3Ik heb den dwaas wel wortel zien schieten, Maar plotseling verrotte zijn akker;
4Longe fient filii ejus a salute, et conterentur in porta, et non erit qui eruat.
4Zijn kinderen werden van hulp verstoken, Reddeloos vertrapt in de poort;
5Cujus messem famelicus comedet, et ipsum rapiet armatus, et bibent sitientes divitias ejus.
5Wat zij hebben geoogst, eet een hongerige op, En de dorstige rooft en drinkt de melk van hun kudde
6Nihil in terra sine causa fit, et de humo non oritur dolor.
6Want het kwaad schiet niet op uit het stof, En de rampspoed ontspruit uit de aarde niet:
7Homo nascitur ad laborem, et avis ad volatum.
7Maar het is de mens, die zichzelf de rampspoed verwekt, Zoals de vonken naar boven spatten!
8Quam ob rem ego deprecabor Dominum, et ad Deum ponam eloquium meum:
8Ik, ik wend mij tot God, En leg mijn zaak aan de Godheid voor:
9qui facit magna et inscrutabilia, et mirabilia absque numero;
9Hij, die grootse en ondoorgrondelijke dingen wrocht En ontelbare wonderen;
10qui dat pluviam super faciem terræ, et irrigat aquis universa;
10Die regen over de aarde zendt, En water over de velden giet;
11qui ponit humiles in sublime, et mœrentes erigit sospitate;
11Die de nederigen op de hoogte verheft, En treurenden het hoogste geluk doet smaken.
12qui dissipat cogitationes malignorum, ne possint implere manus eorum quod cœperant;
12Die de plannen der sluwen verijdelt, Zodat hun handen de ontwerpen niet ten uitvoer brengen;
13qui apprehendit sapientes in astutia eorum, et consilium pravorum dissipat.
13Die de wijzen vangt in hun eigen list, Zodat de toeleg der slimmen mislukt,
14Per diem incurrent tenebras, et quasi in nocte, sic palpabunt in meridie.
14En midden op de dag zij op duisternis stuiten, En rondtasten op klaarlichte dag, zoals in de nacht;
15Porro salvum faciet egenum a gladio oris eorum, et de manu violenti pauperem.
15Maar die de geplaagden redt uit hun hand, Den arme uit de greep van den sterke:
16Et erit egeno spes; iniquitas autem contrahet os suum.
16Zodat er weer hoop voor den zwakke is, En het onrecht de mond sluit.
17Beatus homo qui corripitur a Deo: increpationem ergo Domini ne reprobes:
17Gelukkig, gij mens, dien God kastijdt: Versmaad dus de straf van den Almachtige niet!
18quia ipse vulnerat, et medetur; percutit, et manus ejus sanabunt.
18Want Hij wondt, maar verbindt, Hij kwetst, maar zijn handen genezen.
19In sex tribulationibus liberabit te, et in septima non tangent te malum.
19Uit zes noden zal Hij u redden, En in de zevende treft u geen kwaad:
20In fame eruet te de morte, et in bello de manu gladii.
20In hongersnood redt Hij u van de dood, In de oorlog uit de greep van het zwaard;
21A flagello linguæ absconderis, et non timebis calamitatem cum venerit.
21Gij zijt veilig voor de gesel der tong, Zonder vrees voor het dreigend geweld.
22In vastitate et fame ridebis, et bestias terræ non formidabis.
22Met geweld en gebrek zult ge lachen, Voor wilde beesten niet vrezen:
23Sed cum lapidibus regionum pactum tuum, et bestiæ terræ pacificæ erunt tibi.
23Want ge hebt een verbond met de stenen op het veld, En het wild gedierte leeft in vriendschap met u
24Et scies quod pacem habeat tabernaculum tuum; et visitans speciem tuam, non peccabis.
24Dan weet ge, dat uw tent in vrede is, Ge niets vermist, als ge uw woning doorzoekt;
25Scies quoque quoniam multiplex erit semen tuum, et progenies tua quasi herba terræ.
25Dan weet ge, dat uw nageslacht talrijk zal zijn, Uw spruiten als het gras op het veld.
26Ingredieris in abundantia sepulchrum, sicut infertur acervus tritici in tempore suo.
26Eerst in uw ouderdom daalt ge ten grave, Zoals de schoof wordt binnengehaald, als het tijd is!
27Ecce hoc, ut investigavimus, ita est: quod auditum, mente pertracta.]
27Zie, dit hebben we nagespeurd, en zó is het; Luister er naar, en neem het ter harte!

Tip: use the ← and → keys to turn chapters.