Job 34
Clementine Vulgate, 1598Translation
Clementine Vulgate, 1598
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
1Pronuntians itaque Eliu, etiam hæc locutus est:
1Elihoe vervolgde en sprak:
2[Audite, sapientes, verba mea: et eruditi, auscultate me.
2Gij wijzen, hoort naar mijn rede; Verstandigen, luistert naar mij:
3Auris enim verba probat, et guttur escas gustu dijudicat.
3Want het oor toetst de woorden, Zoals het gehemelte spijzen keurt.
4Judicium eligamus nobis, et inter nos videamus quid sit melius.
4We moeten zelf onderzoeken, wat recht is, Onder elkander beslissen wat goed is.
5Quia dixit Job: Justus sum, et Deus subvertit judicium meum.
5Want Job heeft gezegd: Ik ben rechtschapen, Maar God onthoudt mij mijn recht;
6In judicando enim me mendacium est: violenta sagitta mea absque ullo peccato.
6Ondanks mijn recht moet ik lijden, Mijn wonde is ongeneeslijk, al ben ik niet schuldig!
7Quis est vir ut est Job, qui bibit subsannationem quasi aquam:
7Is er wel iemand als Job, Die godslastering als water drinkt,
8qui graditur cum operantibus iniquitatem, et ambulat cum viris impiis?
8Die het gezelschap van boosdoeners opzoekt En met slechte lieden omgang heeft?
9Dixit enim: Non placebit vir Deo, etiam si cucurrerit cum eo.
9Want hij zegt: Wat baat het den mens, In God zijn behagen te stellen!
10Ideo, viri cordati, audite me: absit a Deo impietas, et ab Omnipotente iniquitas.
10Verstandige lieden, hoort dus naar mij: Onmogelijk; God doet geen kwaad, de Almachtige geen onrecht;
11Opus enim hominis reddet ei, et juxta vias singulorum restituet eis.
11Want Hij vergeldt de mensen hun daden, Behandelt iedereen naar zijn gedrag!
12Vere enim Deus non condemnabit frustra, nec Omnipotens subvertet judicium.
12Waarachtig, God kan geen onrecht begaan, De Almachtige het recht niet verkrachten!
13Quem constituit alium super terram? aut quem posuit super orbem quem fabricatus est?
13Wie heeft de aarde onder zijn leiding gesteld Wie Hem met de hele wereld belast?
14Si direxerit ad eum cor suum, spiritum illius et flatum ad se trahet.
14Trekt Hij hun geest tot Zich terug, Neemt Hij tot Zich hun levensadem,
15Deficiet omnis caro simul, et homo in cinerem revertetur.
15Dan sterft onmiddellijk alle vlees, Keert de mens terug tot stof!
16Si habes ergo intellectum, audi quod dicitur, et ausculta vocem eloquii mei:
16Zijt ge verstandig, luister hiernaar, En leen het oor aan mijn rede:
17numquid qui non amat judicium sanari potest? et quomodo tu eum qui justus est in tantum condemnas?
17Kan Hij, die het recht zou haten, besturen; Kan de Alrechtvaardige onrecht bedrijven?
18Qui dicit regi: Apostata; qui vocat duces impios;
18Hij, die tot den koning zegt: Belial Tot de edelen: Booswicht;
19qui non accipit personas principum, nec cognovit tyrannum cum disceptaret contra pauperem: opus enim manuum ejus sunt universi.
19Die vorsten niet voortrekt, Den arme niet achterstelt bij den rijke. Neen, ze zijn allen het werk zijner handen,
20Subito morientur, et in media nocte turbabuntur populi: et pertransibunt, et auferent violentum absque manu.
20En sterven plotseling, midden in de nacht; Rijken worden opgeschrikt, en gaan heen, Machtigen verdwijnen, al steekt men er de hand niet naar uit.
21Oculi enim ejus super vias hominum, et omnes gressus eorum considerat.
21Want zijn ogen zijn op de wegen der mensen gericht, En Hij ziet al hun schreden;
22Non sunt tenebræ, et non est umbra mortis, ut abscondantur ibi qui operantur iniquitatem,
22Er bestaat geen duister of donker, Waarin de boosdoeners zich kunnen verbergen.
23neque enim ultra in hominis potestate est, ut veniat ad Deum in judicium.
23Neen, geen vaste tijd voor den mens, Om voor God ten gericht te verschijnen;
24Conteret multos, et innumerabiles, et stare faciet alios pro eis.
24Hij verplettert den machtige zonder verhoor, En stelt anderen voor hem in de plaats.
25Novit enim opera eorum, et idcirco inducet noctem, et conterentur.
25Hij geeft dus acht op hun daden, Hij stort ze omver in de nacht;
26Quasi impios percussit eos in loco videntium:
26Ze worden verbrijzeld tot straf voor hun boosheid, Hij tuchtigt ze op de plaats, waar allen het zien.
27qui quasi de industria recesserunt ab eo, et omnes vias ejus intelligere noluerunt:
27Want van Hem zijn ze afgeweken, En hebben op geen van zijn paden gelet;
28ut pervenire facerent ad eum clamorem egeni, et audiret vocem pauperum.
28Ze hebben het kermen der armen tot Hem doen komen, Zodat Hij het klagen der ellendigen hoort.
29Ipso enim concedente pacem, quis est qui condemnet? ex quo absconderit vultum, quis est qui contempletur eum, et super gentes, et super omnes homines?
29Hield Hij Zich stil, wie zou ze beschuldigen Bedekte Hij zijn gelaat, wie wees hen terecht? Neen, Hij houdt volk en eenling in het oog,
30Qui regnare facit hominem hypocritam propter peccata populi.
30Opdat geen boze regeert, het volk niet zondigt.
31Quia ergo ego locutus sum ad Deum, te quoque non prohibebo.
31Maar als de boze tot God zegt: Ik heb gedwaald, Doch ik wil niet meer zondigen;
32Si erravi, tu doce me; si iniquitatem locutus sum, ultra non addam.
32Onderricht mij, totdat ik tot inzicht kom; Heb ik misdaan, ik doe het niet meer!
33Numquid a te Deus expetit eam, quia displicuit tibi? tu enim cœpisti loqui, et non ego: quod si quid nosti melius, loquere.
33Moet Hij, volgens u, het dan toch maar vergelden, Omdat gij zijn gerechtigheid anders misprijst? Gij hebt te beslissen, niet ik; Spreek dus uit, wat ge meent!
34Viri intelligentes loquantur mihi, et vir sapiens audiat me.
34Verstandige mensen zullen mij zeggen, Met den wijzen man, die mij hoort:
35Job autem stulte locutus est, et verba illius non sonant disciplinam.
35Job heeft niet verstandig gesproken, Zijn rede getuigt niet van inzicht.
36Pater mi, probetur Job usque ad finem: ne desinas ab homine iniquitatis:
36Waarachtig, Job zal ten einde toe worden beproefd, Om zijn antwoorden, boosdoeners waardig;
37quia addit super peccata sua blasphemiam, inter nos interim constringatur: et tunc ad judicium provocet sermonibus suis Deum.]
37Want hij heeft bij zijn zonde de misdaad gevoegd, Ons te honen, en tegen God een grote mond op te zetten!
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.