Job
Chapter 13
Clementine Vulgate, 1598
vs Petrus Canisius Bi…
Aa
Text size
Line width
Verse numbers

Job 13

Clementine Vulgate, 1598
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
1[Ecce omnia hæc vidit oculus meus, et audivit auris mea, et intellexi singula.
1Zie, dit alles heb ik met eigen ogen aanschouwd, Mijn oor heeft het gehoord en verstaan.
2Secundum scientiam vestram et ego novi: nec inferior vestri sum.
2Wat gij weet, weet ik even goed: Ik doe niet onder voor u.
3Sed tamen ad Omnipotentem loquar, et disputare cum Deo cupio:
3Daarom wil ik tot den Almachtige spreken, Mijn zaak bepleiten voor God!
4prius vos ostendens fabricatores mendacii, et cultores perversorum dogmatum.
4Want gij zijt leugensmeden, En kwakzalvers allemaal!
5Atque utinam taceretis, ut putaremini esse sapientes.
5Als gij er nu maar het zwijgen toe deedt, Rekende men het u als wijsheid aan.
6Audite ergo correptionem meam, et judicium labiorum meorum attendite.
6Luistert dus liever naar mijn pleit, En geeft acht op het pleidooi mijner lippen.
7Numquid Deus indiget vestro mendacio, ut pro illo loquamini dolos?
7Moogt gij leugens spreken, om God te believen, Ter wille van Hem onwaarheid zeggen;
8numquid faciem ejus accipitis, et pro Deo judicare nitimini?
8Moogt gij partijdig voor Hem zijn, Wanneer gij voor God denkt te pleiten?
9aut placebit ei quem celare nihil potest? aut decipietur, ut homo, vestris fraudulentiis?
9Loopt dit goed voor u af, wanneer Hij u in verhoor neemt; Of denkt gij Hem te bedriegen, zoals men mensen bedriegt?
10Ipse vos arguet, quoniam in abscondito faciem ejus accipitis.
10Ten zwaarste zal Hij u straffen, Zo gij partijdig zijt in het geniep.
11Statim ut se commoverit, turbabit vos, et terror ejus irruet super vos.
11Zal zijn Majesteit u dan niet ontstellen, Zijn verschrikkingen u niet overvallen?
12Memoria vestra comparabitur cineri, et redigentur in lutum cervices vestræ.
12Want uw uitspraken zijn spreuken van as, Uw betogen, betogen van leem!
13Tacete paulisper, ut loquar quodcumque mihi mens suggesserit.
13Zwijgt derhalve, en laat mij spreken; Laat er van komen wat wil!
14Quare lacero carnes meas dentibus meis, et animam meam porto in manibus meis?
14Ik pak mijn vlees tussen mijn tanden, En neem mijn leven in mijn hand.
15Etiam si occiderit me, in ipso sperabo: verumtamen vias meas in conspectu ejus arguam.
15Wil Hij me doden, ik wacht Hem af; Maar ik verdedig mijn wandel voor Hem!
16Et ipse erit salvator meus: non enim veniet in conspectu ejus omnis hypocrita.
16Dit zal reeds een triomf voor mij zijn; Want de boze durft niet eens voor zijn aanschijn treden!
17Audite sermonem meum, et ænigmata percipite auribus vestris.
17Luistert dus goed naar mijn woord, Leent het oor aan mijn rede.
18Si fuero judicatus, scio quod justus inveniar.
18Zie, ik heb mijn pleit gereed, Ik ben mij bewust van mijn recht!
19Quis est qui judicetur mecum? veniat: quare tacens consumor?
19Wie brengt er iets tegen mij in? Ik zou aanstonds zwijgen en sterven.
20Duo tantum ne facias mihi, et tunc a facie tua non abscondar:
20Twee dingen moet Gij mij echter besparen, Dan verschuil ik mij niet voor uw aanschijn:
21manum tuam longe fac a me, et formido tua non me terreat.
21Neem uw hand van mij weg, En verbijster mij niet door uw verschrikking.
22Voca me, et ego respondebo tibi: aut certe loquar, et tu responde mihi.
22Daag mij dus uit, en ik zal antwoorden; Of laat mij spreken, en antwoord Gij:
23Quantas habeo iniquitates et peccata? scelera mea et delicta ostende mihi.
23Hoeveel fouten en zonden heb ik bedreven, Noem mij mijn misdaden en zonden op!
24Cur faciem tuam abscondis, et arbitraris me inimicum tuum?
24Waarom verbergt Gij uw aanschijn, En beschouwt Gij mij als uw vijand?
25Contra folium, quod vento rapitur, ostendis potentiam tuam, et stipulam siccam persequeris:
25Wilt gij een weggewaaid blad nog verschrikken, Een verdorde halm nog vervolgen:
26scribis enim contra me amaritudines, et consumere me vis peccatis adolescentiæ meæ.
26Dat Gij zo’n bitter lot mij bestemt, En de fouten wreekt van mijn jeugd;
27Posuisti in nervo pedem meum, et observasti omnes semitas meas, et vestigia pedum meorum considerasti:
27Mijn voeten steekt in een blok, al mijn gangen bewaakt, En mijn voetzolen bespiedt?
28qui quasi putredo consumendus sum, et quasi vestimentum quod comeditur a tinea.]
28-

Tip: use the ← and → keys to turn chapters.