Job 13
JPS Tanakh (Jewish Publication Society, 1917)
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
1Lo, mine eye hath seen all this, mine ear hath heard and understood it.
1Zie, dit alles heb ik met eigen ogen aanschouwd, Mijn oor heeft het gehoord en verstaan.
2What ye know, do I know also; I am not inferior unto you.
2Wat gij weet, weet ik even goed: Ik doe niet onder voor u.
3Notwithstanding I would speak to the Almighty, and I desire to reason with God.
3Daarom wil ik tot den Almachtige spreken, Mijn zaak bepleiten voor God!
4But ye are plasterers of lies, ye are all physicians of no value.
4Want gij zijt leugensmeden, En kwakzalvers allemaal!
5Oh that ye would altogether hold your peace! and it would be your wisdom.
5Als gij er nu maar het zwijgen toe deedt, Rekende men het u als wijsheid aan.
6Hear now my reasoning, and hearken to the pleadings of my lips.
6Luistert dus liever naar mijn pleit, En geeft acht op het pleidooi mijner lippen.
7Will ye speak unrighteously for God, and talk deceitfully for Him?
7Moogt gij leugens spreken, om God te believen, Ter wille van Hem onwaarheid zeggen;
8Will ye show Him favour? Will ye contend for God?
8Moogt gij partijdig voor Hem zijn, Wanneer gij voor God denkt te pleiten?
9Would it be good that He should search you out? Or as one mocketh a man, will ye mock Him?
9Loopt dit goed voor u af, wanneer Hij u in verhoor neemt; Of denkt gij Hem te bedriegen, zoals men mensen bedriegt?
10He will surely reprove you, if ye do secretly show favour.
10Ten zwaarste zal Hij u straffen, Zo gij partijdig zijt in het geniep.
11Shall not His majesty terrify you, and His dread fall upon you?
11Zal zijn Majesteit u dan niet ontstellen, Zijn verschrikkingen u niet overvallen?
12Your memorials shall be like unto ashes, your eminences to eminences of clay.
12Want uw uitspraken zijn spreuken van as, Uw betogen, betogen van leem!
13Hold your peace, let me alone, that I may speak, and let come on me what will.
13Zwijgt derhalve, en laat mij spreken; Laat er van komen wat wil!
14Wherefore? I will take my flesh in my teeth, and put my life in my hand.
14Ik pak mijn vlees tussen mijn tanden, En neem mijn leven in mijn hand.
15Though He slay me, yet will I trust in Him; but I will argue my ways before Him.
15Wil Hij me doden, ik wacht Hem af; Maar ik verdedig mijn wandel voor Hem!
16This also shall be my salvation, that a hypocrite cannot come before Him.
16Dit zal reeds een triomf voor mij zijn; Want de boze durft niet eens voor zijn aanschijn treden!
17Hear diligently my speech, and let my declaration be in your ears.
17Luistert dus goed naar mijn woord, Leent het oor aan mijn rede.
18Behold now, I have ordered my cause; I know that I shall be justified.
18Zie, ik heb mijn pleit gereed, Ik ben mij bewust van mijn recht!
19Who is he that will contend with me? For then would I hold my peace and die.
19Wie brengt er iets tegen mij in? Ik zou aanstonds zwijgen en sterven.
20Only do not two things unto me, then will I not hide myself from Thee:
20Twee dingen moet Gij mij echter besparen, Dan verschuil ik mij niet voor uw aanschijn:
21Withdraw Thy hand far from me; and let not Thy terror make me afraid.
21Neem uw hand van mij weg, En verbijster mij niet door uw verschrikking.
22Then call Thou, and I will answer; or let me speak, and answer Thou me.
22Daag mij dus uit, en ik zal antwoorden; Of laat mij spreken, en antwoord Gij:
23How many are mine iniquities and sins? Make me to know my transgression and my sin.
23Hoeveel fouten en zonden heb ik bedreven, Noem mij mijn misdaden en zonden op!
24Wherefore hidest Thou Thy face, and holdest me for Thine enemy?
24Waarom verbergt Gij uw aanschijn, En beschouwt Gij mij als uw vijand?
25Wilt Thou harass a driven leaf? And wilt Thou pursue the dry stubble?
25Wilt gij een weggewaaid blad nog verschrikken, Een verdorde halm nog vervolgen:
26That Thou shouldest write bitter things against me, and make me to inherit the iniquities of my youth.
26Dat Gij zo’n bitter lot mij bestemt, En de fouten wreekt van mijn jeugd;
27Thou puttest my feet also in the stocks, and lookest narrowly unto all my paths; Thou drawest Thee a line about the soles of my feet;
27Mijn voeten steekt in een blok, al mijn gangen bewaakt, En mijn voetzolen bespiedt?
28Though I am like a wine-skin that consumeth, like a garment that is moth-eaten.
28-
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.