Job
Chapter 1
JPS Tanakh (Jewish Publi…
vs Petrus Canisius Bi…
Aa
Text size
Line width
Verse numbers
JPS Tanakh (Jewish Publication Society, 1917)
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
1THERE was a man in the land of Uz, whose name was Job; and that man was whole-hearted and upright, and one that feared God, and shunned evil.
1Er was eens een man in het land van Oes, Job geheten. Deze man was onberispelijk en rechtschapen; hij vreesde God en schuwde het kwaad.
2And there were born unto him seven sons and three daughters.
2Hij had zeven zonen en drie dochters gekregen;
3His possessions also were seven thousand sheep, and three thousand camels, and five hundred yoke of oxen, and five hundred she-asses, and a very great household; so that this man was the greatest of all the children of the east.
3bovendien bezat hij een kudde van zevenduizend schapen, drieduizend kamelen, vijfhonderd span ossen, vijfhonderd ezelinnen en een groot aantal slaven, zodat hij wel de aanzienlijkste man was van alle bewoners van het oosten.
4And his sons used to go and hold a feast in the house of each one upon his day; and they would send and invite their three sisters to eat and to drink with them.
4Zijn zonen waren gewoon, om elk op zijn beurt en in zijn eigen huis een feestmaal te houden, waarop zij ook hun drie zusters uitnodigden, om met hen te eten en te drinken.
5And it was so, when the days of their feasting were gone about, that Job sent and sanctified them, and rose up early in the morning, and offered burnt-offerings according to the number of them all; for Job said: 'It may be that my sons have sinned, and blasphemed God in their hearts.' Thus did Job continually.
5Maar zodra dan de dagen van het feestmaal voorbij waren, liet Job ze bij zich ontbieden, om hen te heiligen, en droeg dan in de vroege morgen voor ieder van hen een brandoffer op. Want Job dacht: Misschien hebben mijn kinderen gezondigd en God vervloekt in hun hart. Zo deed Job geregeld.
6Now it fell upon a day, that the sons of God came to present themselves before the LORD, and Satan came also among them.
6Het gebeurde nu op zekere dag, dat de zonen Gods voor Jahweh verschenen, en dat ook de satan zich in hun midden bevond.
7And the LORD said unto Satan: 'Whence comest thou?' Then Satan answered the LORD, and said: 'From going to and fro in the earth, and from walking up and down in it.'
7En Jahweh sprak tot satan: Waar komt ge vandaan? Satan gaf Jahweh ten antwoord: Van een zwerfen speurtocht over de aarde.
8And the LORD said unto Satan: 'Hast thou considered My servant Job, that there is none like him in the earth, a whole-hearted and an upright man, one that feareth God, and shunneth evil?'
8Jahweh vroeg Satan: Hebt ge daarbij gelet op mijn dienaar Job, en hoe er op aarde zijns gelijke niet is: geen zo onberispelijk en rechtschapen, geen die God vreest en het kwaad schuwt, als hij?
9Then Satan answered the LORD, and said: 'Doth Job fear God for nought?
9Maar satan gaf Jahweh ten antwoord: Is Job soms godvrezend om niet?
10Hast not Thou made a hedge about him, and about his house, and about all that he hath, on every side? Thou hast blessed the work of his hands, and his possessions are increased in the land.
10Hebt Gij hem, zijn gezin en al wat hij heeft, niet van alle kant met een haag omringd; hebt Gij het werk zijner handen niet gezegend, en overstroomt niet zijn kudde het land?
11But put forth Thy hand now, and touch all that he hath, surely he will blaspheme Thee to Thy face.'
11Maar strek uw hand eens tegen hem uit, en tast hem eens aan in wat hij bezit: dan vloekt hij U in het aangezicht!
12And the LORD said unto Satan: 'Behold, all that he hath is in thy power; only upon himself put not forth thy hand.' So Satan went forth from the presence of the LORD.
12Daarop sprak Jahweh tot satan: Ge moogt doen wat ge wilt met heel zijn bezit; maar hemzelf raakt ge met de hand niet aan! Zo ging satan van Jahweh heen.
13And it fell on a day when his sons and his daughters were eating and drinking wine in their eldest brother's house,
13Toen nu enige tijd later de zonen en dochters van Job in het huis van hun oudsten broer zaten te eten en wijn te drinken,
14that there came a messenger unto Job, and said: 'The oxen were plowing, and the asses feeding beside them;
14kwam hem een bode berichten: De Sjabeërs hebben een inval gedaan, terwijl uw ossen aan het ploegen waren, en de ezelinnen vlak bij hen graasden;
15and the Sabeans made a raid, and took them away; yea, they have slain the servants with the edge of the sword; and I only am escaped alone to tell thee.'
15zij hebben ze weggeroofd en uw knechten over de kling gejaagd; ik alleen ben ontsnapt, en kom het u melden!
16While he was yet speaking, there came also another, and said: 'A fire of God is fallen from heaven, and hath burned up the sheep, and the servants, and consumed them; and I only am escaped alone to tell thee.'
16Nog was hij niet uitgesproken, of een tweede kwam binnen en riep: De bliksem is uit de hemel geslagen, en heeft uw kudde met de herders verbrand en verteerd; ik alleen ben ontsnapt, en kom het u melden!
17While he was yet speaking, there came also another, and said: 'The Chaldeans set themselves in three bands, and fell upon the camels, and have taken them away, yea, and slain the servants with the edge of the sword; and I only am escaped alone to tell thee.'
17Nog was deze niet uitgesproken, of een derde kwam binnen en riep: De Chaldeën, in drie benden gesplitst, hebben zich op uw kamelen geworpen, ze weggeroofd, en uw knechten over de kling gejaagd; ik alleen ben ontsnapt, en kom het u melden!
18While he was yet speaking, there came also another, and said: 'Thy sons and thy daughters were eating and drinking wine in their eldest brother's house;
18En nog was hij niet uitgesproken, of weer een ander kwam binnen en riep: Terwijl uw zonen en dochters zaten te eten en wijn te drinken in het huis van hun oudsten broer,
19And, behold, there came a great wind from across the wilderness, and smote the four corners of the house, and it fell upon the young people, and they are dead; and I only am escaped alone to tell thee.'
19stak er eensklaps een geweldige storm op uit de richting van de woestijn, die het huis aan al de vier hoeken deed schudden; het stortte boven de kinderen in, en zij stierven; ik alleen ben ontsnapt, en kom het u melden!
20Then Job arose, and rent his mantle, and shaved his head, and fell down upon the ground, and worshipped;
20Toen stond Job op en scheurde zijn kleed; hij schoor zijn hoofd en wierp zich plat ter aarde neer.
21And he said; naked came I out of my mother's womb, and naked shall I return thither; the LORD gave, and the LORD hath taken away; blessed be the name of the LORD.
21Maar hij sprak: Naakt kwam ik uit de schoot van mijn moeder; Naakt keer ik er terug! Het was Jahweh, die gaf; het was Jahweh, die nam: De Naam van Jahweh zij gezegend!
22For all this Job sinned not, nor ascribed aught unseemly to God.
22Dus ondanks dit alles heeft Job niet gezondigd, en geen onvertogen woord tot God gericht.

Tip: use the ← and → keys to turn chapters.