Job 33
JPS Tanakh (Jewish Publication Society, 1917)
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
1Howbeit, Job, I pray thee, hear my speech, and hearken to all my words.
1Luister nu, Job, naar mijn rede, En leen het oor aan heel mijn betoog.
2Behold now, I have opened my mouth, my tongue hath spoken in my mouth.
2Zie, ik heb mijn mond geopend, Mijn tong in mijn gehemelte spreekt;
3My words shall utter the uprightness of my heart; and that which my lips know they shall speak sincerely.
3Mijn hart stort woorden van wijsheid uit, Mijn lippen verkonden duidelijke taal!
4The spirit of God hath made me, and the breath of the Almighty given me life.
4De geest van God heeft mij gemaakt, De adem van den Almachtige mij het leven geschonken;
5If thou canst, answer thou me, set thy words in order before me, stand forth.
5Antwoord mij dus, zo ge kunt; Houd u gereed, stel u tegen mij op!
6Behold, I am toward God even as thou art; I also am formed out of the clay.
6Ik ben dus voor God aan u gelijk, Ook ik ben gekneed uit leem:
7Behold, my terror shall not make thee afraid, neither shall my pressure be heavy upon thee.
7Dus behoeft u geen vrees voor mij te verschrikken Mijn hand niet zwaar u te drukken.
8Surely thou hast spoken in my hearing, and I have heard the voice of thy words;
8Ge hebt voor mijn eigen oren verklaard, En ik heb uw woorden verstaan:
9'I am clean, without transgression, I am innocent, neither is there iniquity in me;
9“Ik ben rein, zonder zonde, Ik ben zuiver, op mij rust geen schuld!”
10Behold, He findeth occasions against me, He counteth me for His enemy;
10“Toch vindt Hij klachten tegen mij, En behandelt mij als zijn vijand;
11He putteth my feet in the stocks, He marketh all my paths.'
11Hij steekt mijn voeten in het blok, Bespiedt al mijn gangen.
12Behold, I answer thee: In this thou art not right, that God is too great for man;
12Zie, als ik roep, antwoordt Hij niet Want God is groter dan een mens!”
13Why hast thou striven against Him? seeing that He will not answer any of his words.
13Hoe hebt ge Hem durven verwijten, Dat Hij op geen van uw woorden antwoord geeft?
14For God speaketh in one way, yea in two, though man perceiveth it not.
14Het is, omdat God slechts eenmaal spreekt, En het geen tweede keer herhaalt:
15In a dream, in a vision of the night, when deep sleep falleth upon men, in slumberings upon the bed;
15In een droom, in een nachtelijk visioen In de sluimering op de sponde.
16Then He openeth the ears of men, and by their chastisement sealeth the decree,
16Dan opent Hij het oor van de mensen, En verschrikt hen door zijn visioenen,
17That men may put away their purpose, and that He may hide pride from man;
17Om den mens van trots te weerhouden, Den man voor hoogmoed te behoeden;
18That He may keep back his soul from the pit, and his life from perishing by the sword.
18Om zo zijn ziel voor de groeve te bewaren, Zijn leven voor de gang naar het graf.
19He is chastened also with pain upon his bed, and all his bones grow stiff;
19Dan kastijdt Hij hem door smart op zijn sponde, Door een koorts in zijn beenderen zonder eind,
20So that his life maketh him to abhor bread, and his soul dainty food.
20Zodat zijn leven van het brood gaat walgen, Zijn ziel van de begeerlijkste spijs;
21His flesh is consumed away, that it cannot be seen; and his bones corrode to unsightliness.
21Zijn vlees slinkt zienderogen weg, Zijn gebeente, eens onzichtbaar, ligt bloot.
22Yea, his soul draweth near unto the pit, and his life to the destroyers.
22Maar zelfs als zijn ziel het graf al nabij is, Zijn leven het oord van de doden: Zo hij besluit in zijn hart, zich tot God te keren En hij zijn dwaasheid erkent:
23If there be for him an angel, an intercessor, one among a thousand, to vouch for a man's uprightness;
23Dan treedt er voor hem een engel op, Een tolk, een uit de duizend. Dan wijst hij den mens op zijn plicht,
24Then He is gracious unto him, and saith: 'Deliver him from going down to the pit, I have found a ransom.'
24Ontfermt zich zijner, en spreekt: Laat hem toch niet in de groeve dalen, Ik heb zijn losprijs gevonden
25His flesh is tenderer than a child's; he returneth to the days of his youth;
25Zijn vlees worde frisser dan in zijn jeugd, Hij kere tot zijn jonkheid terug!
26He prayeth unto God, and He is favourable unto him; so that he seeth His face with joy; and He restoreth unto man his righteousness.
26Dan laat God Zich verbidden; genadig neemt Hij hem aan, Doet hem zijn aanschijn met jubel aanschouwen, En schenkt den mens zijn gerechtigheid terug.
27He cometh before men, and saith: 'I have sinned, and perverted that which was right, and it profited me not.'
27Dan juicht hij het uit voor de mensen, en zegt: Ik heb gezondigd, het recht verdraaid, Maar Hij heeft het niet op mij gewroken!
28So He redeemeth his soul from going into the pit, and his life beholdeth the light.
28Zo behoedt Hij zijn ziel voor de gang naar het graf, En verlustigt zijn leven zich in het licht!
29Lo, all these things doth God work, twice, yea thrice, with a man,
29Zie, dit alles doet God Tweemaal, driemaal met een mens:
30To bring back his soul from the pit, that he may be enlightened with the light of the living.
30Hij brengt zijn leven terug van het graf, En bestraalt hem met het levenslicht!
31Mark well, O Job, hearken unto me; hold thy peace, and I will speak.
31Luister dus, Job, en hoor naar mij; Zwijg stil, en laat het spreken aan mij.
32If thou hast any thing to say, answer me; speak, for I desire to justify thee.
32Hebt ge dan iets te zeggen, antwoord mij; Spreek dan, want ik geef u gaarne gelijk.
33If not, hearken thou unto me; hold thy peace, and I will teach thee wisdom.
33Zo niet, luister naar mij, En zwijg, ik zal u wijsheid leren!
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.