Job
Chapter 20
Clementine Vulgate, 1598
vs Petrus Canisius Bi…
Aa
Text size
Line width
Verse numbers

Job 20

Clementine Vulgate, 1598
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
1Respondens autem Sophar Naamathites, dixit:
1Daarop nam Sofar van Naäma het woord en sprak:
2[Idcirco cogitationes meæ variæ succedunt sibi, et mens in diversa rapitur.
2Mijn inzicht dwingt mij tot antwoord, Omdat het in mij stormt,
3Doctrinam qua me arguis audiam, et spiritus intelligentiæ meæ respondebit mihi.
3Nu ik een grievend verwijt moet horen, En domme bluf mij antwoord geeft.
4Hoc scio a principio, ex quo positus est homo super terram,
4Weet ge dan niet, dat van de vroegste tijd af, Sinds de mens op de aarde werd geplaatst,
5quod laus impiorum brevis sit, et gaudium hypocritæ ad instar puncti.
5Het gejuich van den boze slechts korte tijd duurt, De vreugde van den goddeloze een ogenblik?
6Si ascenderit usque ad cælum superbia ejus, et caput ejus nubes tetigerit,
6Al verheft zijn gestalte zich hemelhoog, En reikt zijn hoofd tot de wolken:
7quasi sterquilinium in fine perdetur, et qui eum viderant, dicent: Ubi est?
7Als zijn eigen drek verdwijnt hij voor immer, Die hem zagen, roepen: Waar is hij?
8Velut somnium avolans non invenietur: transiet sicut visio nocturna.
8Spoorloos vervluchtigt hij als een droom, Wordt weggevaagd als een nachtgezicht;
9Oculus qui eum viderat non videbit, neque ultra intuebitur eum locus suus.
9Het oog, dat hem zag, bespeurt hem niet langer, De plaats, waar hij woonde, aanschouwt hem niet meer.
10Filii ejus atterentur egestate, et manus illius reddent ei dolorem suum.
10Zijn zonen bedelen bij armen, Zijn kinderen geven zijn rijkdom af;
11Ossa ejus implebuntur vitiis adolescentiæ ejus, et cum eo in pulvere dormient.
11En al is zijn gebeente vol jeugdige kracht, Het legt zich neer bij hem in het graf.
12Cum enim dulce fuerit in ore ejus malum, abscondet illud sub lingua sua.
12Hoe zoet het slechte in zijn mond mag smaken, Hoe hij het onder zijn tong ook verbergt,
13Parcet illi, et non derelinquet illud, et celabit in gutture suo.
13Hoe hij het smekt en niet doorslikt, En het tegen zijn gehemelte houdt:
14Panis ejus in utero illius vertetur in fel aspidum intrinsecus.
14Toch verschaalt zijn spijs in zijn ingewanden, Wordt in zijn binnenste adderengif;
15Divitias quas devoravit evomet, et de ventre illius extrahet eas Deus.
15Hij slokt schatten in, maar braakt ze uit, God drijft ze weer uit zijn buik.
16Caput aspidum suget, et occidet eum lingua viperæ.
16Adderengif moet hij drinken, Een slangentong zal hem doden;
17(Non videat rivulos fluminis, torrentes mellis et butyri.)
17Hij zal geen beken van olie genieten, Geen stromen van honing en boter.
18Luet quæ fecit omnia, nec tamen consumetur: juxta multitudinem adinventionum suarum, sic et sustinebit.
18Zijn winst geeft hij terug, en slokt ze niet door, Verheugt zich niet in de vrucht van zijn handel;
19Quoniam confringens nudavit pauperes: domum rapuit, et non ædificavit eam.
19Want hij heeft de armen verdrukt en verlaten, Hun huis geroofd, niet gebouwd.
20Nec est satiatus venter ejus: et cum habuerit quæ concupierat, possidere non poterit.
20Omdat hij voor zijn buik geen verzadiging vond, Niets aan zijn eetlust ontsnapte,
21Non remansit de cibo ejus, et propterea nihil permanebit de bonis ejus.
21En niets aan zijn vraatzucht ontging: Daarom houdt zijn voorspoed geen stand!
22Cum satiatus fuerit, arctabitur: æstuabit, et omnis dolor irruet super eum.
22Op het toppunt van zijn geluk wordt het hem bang, Wordt hij door al de slagen van rampspoed getroffen;
23Utinam impleatur venter ejus, ut emittat in eum iram furoris sui, et pluat super illum bellum suum.
23Terwijl hij zijn buik vult, laat God zijn ziedende toorn op hem los, Laat schichten regenen op zijn ingewanden.
24Fugiet arma ferrea, et irruet in arcum æreum.
24Als hij vlucht voor de ijzeren wapenrusting, Doorboort hem de koperen boog,
25Eductus, et egrediens de vagina sua, et fulgurans in amaritudine sua: vadent et venient super eum horribiles.
25Puilt de schicht uit zijn rug, De bliksemende pijl uit zijn gal. Dan overvalt hem de doodschrik,
26Omnes tenebræ absconditæ sunt in occultis ejus; devorabit eum ignis qui non succenditur: affligetur relictus in tabernaculo suo.
26De diepste duisternis houdt hem omvangen; Een vuur verslindt hem, dat niet is ontstoken, Vreet weg wat nog leeft in zijn tent.
27Revelabunt cæli iniquitatem ejus, et terra consurget adversus eum.
27De hemelen openbaren zijn schuld, En de aarde staat tegen hem op;
28Apertum erit germen domus illius: detrahetur in die furoris Dei.
28Een stortvloed spoelt zijn woning weg, Een vloedgolf op de dag van zijn toorn!
29Hæc est pars hominis impii a Deo, et hæreditas verborum ejus a Domino.]
29Dit is het lot van den boze, door God hem bedeeld, Het erfdeel, dat de Godheid hem toewijst!

Tip: use the ← and → keys to turn chapters.