אִיּוֹב

New Testament

מתיוסנט מארקהבְּשׂוֹרָה הַקְּדוֹשָׁה עַל־פִּי לוּקָסג'וןמַעֲשֵׂי הַשְּׁלִיחִיםאִגֶּרֶת פּוֹלוֹס הַשָּׁלִיחַ אֶל־הָרוֹמִיִּיםאִגֶּרֶת פּוֹלוֹס הָרִאשׁוֹנָה אֶל־הַקּוֹרִנְתִּיִּיםאִגֶּרֶת פּוֹלוֹס הָשֵּׁנִית אֶל־הַקּוֹרִנְתִּיִיםאִגֶּרֶת פּוֹלוֹס הַשָּׁלִיחַ אֶל־הַגָּלָטִיִּיםאִגֶּרֶת פּוֹלוֹס הַשָּׁלִיחַ אֶל־הָאֶפְסִיִּיםאִגֶּרֶת פּוֹלוֹס הַשָּׁלִיחַ אֶל־הַפִּילִפִּיִּיםאִגֶּרֶת פּוֹלוֹס הַשָּׁלִיחַ אֶל־הַקּוֹלַסִּים1 סלוניס2 סלוניס1 טימותי2 טימותיאִגֶּרֶת פּוֹלוֹס אֶל־טִיטוֹסאִגֶּרֶת פּוֹלוֹס אֶל־פִּילֵימוֹןאִגֶּרֶת אֶל־הָעִבְרִיםאִגֶּרֶת יַעֲקֹבהָאִגֶּרֶת הָרִאשׁוֹנָה לְפֶטְרוֹס הַשָּׁלִיחַהָאִגֶּרֶת הַשֵּׁנִית לְפֶטְרוֹס הַשָּׁלִיחַהָאִגֶּרֶת הָרִאשׁוֹנָה לְיוֹחָנָן הַשָּׁלִיחַהָאִגֶּרֶת הַשֵּׁנִית לְיוֹחָנָן הַשָּׁלִיחַהָאִגֶּרֶת הַשְּׁלִישִׁית לְיוֹחָנָן הַשָּׁלִיחַאִגֶּרֶת יְהוּדָהחזוֹן יוֹחָנָן
Chapter 20
Modern Hebrew Bible
vs Petrus Canisius Bi…
Aa
Text size
Line width
Verse numbers

אִיּוֹב 20

Modern Hebrew Bible
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
1ויען צפר הנעמתי ויאמר׃
1Daarop nam Sofar van Naäma het woord en sprak:
2לכן שעפי ישיבוני ובעבור חושי בי׃
2Mijn inzicht dwingt mij tot antwoord, Omdat het in mij stormt,
3מוסר כלמתי אשמע ורוח מבינתי יענני׃
3Nu ik een grievend verwijt moet horen, En domme bluf mij antwoord geeft.
4הזאת ידעת מני עד מני שים אדם עלי ארץ׃
4Weet ge dan niet, dat van de vroegste tijd af, Sinds de mens op de aarde werd geplaatst,
5כי רננת רשעים מקרוב ושמחת חנף עדי רגע׃
5Het gejuich van den boze slechts korte tijd duurt, De vreugde van den goddeloze een ogenblik?
6אם יעלה לשמים שיאו וראשו לעב יגיע׃
6Al verheft zijn gestalte zich hemelhoog, En reikt zijn hoofd tot de wolken:
7כגללו לנצח יאבד ראיו יאמרו איו׃
7Als zijn eigen drek verdwijnt hij voor immer, Die hem zagen, roepen: Waar is hij?
8כחלום יעוף ולא ימצאוהו וידד כחזיון לילה׃
8Spoorloos vervluchtigt hij als een droom, Wordt weggevaagd als een nachtgezicht;
9עין שזפתו ולא תוסיף ולא עוד תשורנו מקומו׃
9Het oog, dat hem zag, bespeurt hem niet langer, De plaats, waar hij woonde, aanschouwt hem niet meer.
10בניו ירצו דלים וידיו תשבנה אונו׃
10Zijn zonen bedelen bij armen, Zijn kinderen geven zijn rijkdom af;
11עצמותיו מלאו עלומו ועמו על עפר תשכב׃
11En al is zijn gebeente vol jeugdige kracht, Het legt zich neer bij hem in het graf.
12אם תמתיק בפיו רעה יכחידנה תחת לשונו׃
12Hoe zoet het slechte in zijn mond mag smaken, Hoe hij het onder zijn tong ook verbergt,
13יחמל עליה ולא יעזבנה וימנענה בתוך חכו׃
13Hoe hij het smekt en niet doorslikt, En het tegen zijn gehemelte houdt:
14לחמו במעיו נהפך מרורת פתנים בקרבו׃
14Toch verschaalt zijn spijs in zijn ingewanden, Wordt in zijn binnenste adderengif;
15חיל בלע ויקאנו מבטנו יורשנו אל׃
15Hij slokt schatten in, maar braakt ze uit, God drijft ze weer uit zijn buik.
16ראש פתנים יינק תהרגהו לשון אפעה׃
16Adderengif moet hij drinken, Een slangentong zal hem doden;
17אל ירא בפלגות נהרי נחלי דבש וחמאה׃
17Hij zal geen beken van olie genieten, Geen stromen van honing en boter.
18משיב יגע ולא יבלע כחיל תמורתו ולא יעלס׃
18Zijn winst geeft hij terug, en slokt ze niet door, Verheugt zich niet in de vrucht van zijn handel;
19כי רצץ עזב דלים בית גזל ולא יבנהו׃
19Want hij heeft de armen verdrukt en verlaten, Hun huis geroofd, niet gebouwd.
20כי לא ידע שלו בבטנו בחמודו לא ימלט׃
20Omdat hij voor zijn buik geen verzadiging vond, Niets aan zijn eetlust ontsnapte,
21אין שריד לאכלו על כן לא יחיל טובו׃
21En niets aan zijn vraatzucht ontging: Daarom houdt zijn voorspoed geen stand!
22במלאות שפקו יצר לו כל יד עמל תבואנו׃
22Op het toppunt van zijn geluk wordt het hem bang, Wordt hij door al de slagen van rampspoed getroffen;
23יהי למלא בטנו ישלח בו חרון אפו וימטר עלימו בלחומו׃
23Terwijl hij zijn buik vult, laat God zijn ziedende toorn op hem los, Laat schichten regenen op zijn ingewanden.
24יברח מנשק ברזל תחלפהו קשת נחושה׃
24Als hij vlucht voor de ijzeren wapenrusting, Doorboort hem de koperen boog,
25שלף ויצא מגוה וברק ממררתו יהלך עליו אמים׃
25Puilt de schicht uit zijn rug, De bliksemende pijl uit zijn gal. Dan overvalt hem de doodschrik,
26כל חשך טמון לצפוניו תאכלהו אש לא נפח ירע שריד באהלו׃
26De diepste duisternis houdt hem omvangen; Een vuur verslindt hem, dat niet is ontstoken, Vreet weg wat nog leeft in zijn tent.
27יגלו שמים עונו וארץ מתקוממה לו׃
27De hemelen openbaren zijn schuld, En de aarde staat tegen hem op;
28יגל יבול ביתו נגרות ביום אפו׃
28Een stortvloed spoelt zijn woning weg, Een vloedgolf op de dag van zijn toorn!
29זה חלק אדם רשע מאלהים ונחלת אמרו מאל׃
29Dit is het lot van den boze, door God hem bedeeld, Het erfdeel, dat de Godheid hem toewijst!

Tip: use the ← and → keys to turn chapters.