יְשַׁעְיָהוּ 1
Modern Hebrew BibleTranslation
Modern Hebrew Bible
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
1חזון ישעיהו בן אמוץ אשר חזה על יהודה וירושלם בימי עזיהו יותם אחז יחזקיהו מלכי יהודה׃
1De visioenen, die Isaias, de zoon van Amos, over Juda en Jerusalem zag in de dagen van Ozias, Jotam, Achaz en Ezekias.
2שמעו שמים והאזיני ארץ כי יהוה דבר בנים גדלתי ורוממתי והם פשעו בי׃
2Hemelen hoort, en aarde luister: Want het is Jahweh, die spreekt! Ik bracht kinderen groot, en voedde ze op: Maar ze zijn Mij ontrouw geworden.
3ידע שור קנהו וחמור אבוס בעליו ישראל לא ידע עמי לא התבונן׃
3Een os kent zijn meester, Een ezel de krib van zijn heer: Maar Israël kent zo iets niet, Mijn volk begrijpt het niet eens.
4הוי גוי חטא עם כבד עון זרע מרעים בנים משחיתים עזבו את יהוה נאצו את קדוש ישראל נזרו אחור׃
4Wee die zondige natie, Dat volk, beladen met schuld; Dat goddeloos ras, Dat bedorven broed! Ze hebben Jahweh verlaten, Israëls Heilige verloochend, Hem de rug toegekeerd.
5על מה תכו עוד תוסיפו סרה כל ראש לחלי וכל לבב דוי׃
5Waar wilt ge nú nog worden geslagen, Dat ge u altijd verzet? Het hoofd is helemaal ziek, Het hart kwijnt heel en al weg.
6מכף רגל ועד ראש אין בו מתם פצע וחבורה ומכה טריה לא זרו ולא חבשו ולא רככה בשמן׃
6Van voetzool tot schedel geen gave plek; Maar builen, striemen en verse wonden: Niet uitgedrukt, niet verbonden, Niet met olie verzacht.
7ארצכם שממה עריכם שרפות אש אדמתכם לנגדכם זרים אכלים אתה ושממה כמהפכת זרים׃
7Uw land verwoest, Uw steden verbrand; Uw akkers onder uw ogen door vreemden verteerd, Vernield, als onder een stortvloed bedolven.
8ונותרה בת ציון כסכה בכרם כמלונה במקשה כעיר נצורה׃
8Eenzaam de dochter van Sion, als een hut in de wijngaard, Als een hok in de moestuin, een belegerde stad!
9לולי יהוה צבאות הותיר לנו שריד כמעט כסדם היינו לעמרה דמינו׃
9Ach, zo Jahweh der heirscharen ons geen rest had gelaten, Wij waren als Sodoma, en aan Gomorra gelijk!
10שמעו דבר יהוה קציני סדם האזינו תורת אלהינו עם עמרה׃
10Hoort dan het woord van Jahweh, vorsten van Sodoma, Volk van Gomorra, luister naar de les van onzen God:
11למה לי רב זבחיכם יאמר יהוה שבעתי עלות אילים וחלב מריאים ודם פרים וכבשים ועתודים לא חפצתי׃
11Wat geef Ik om uw talloze offers, Spreekt Jahweh! Ik ben zat van de offers van rammen, En van het vet van kalveren; Het bloed van stieren, van lammeren en bokken, Ik lust het niet meer.
12כי תבאו לראות פני מי בקש זאת מידכם רמס חצרי׃
12Opgaan, om mijn aanschijn te zien, Mijn voorhof betreden: wie eist het van u?
13לא תוסיפו הביא מנחת שוא קטרת תועבה היא לי חדש ושבת קרא מקרא לא אוכל און ועצרה׃
13Neen, brengt geen nutteloze spijsoffers meer; De wierook walgt Mij. Nieuwe maan, sabbat of hoogtij: Ik duld geen feesten tezamen met misdaad;
14חדשיכם ומועדיכם שנאה נפשי היו עלי לטרח נלאיתי נשא׃
14Ik haat uw stonden en tijden, Ze zijn Mij een last; Ik ben moe ze te dragen.
15ובפרשכם כפיכם אעלים עיני מכם גם כי תרבו תפלה אינני שמע ידיכם דמים מלאו׃
15Heft gij uw handen omhoog, Ik sluit mijn ogen voor u, Ik luister niet eens, hoeveel gij ook bidt: Uw handen druipen van bloed;
16רחצו הזכו הסירו רע מעלליכם מנגד עיני חדלו הרע׃
16Wast u eerst, en wordt rein! Weg uw boosheid uit mijn ogen,
17למדו היטב דרשו משפט אשרו חמוץ שפטו יתום ריבו אלמנה׃
17Houdt op met kwaad, leert het goede doen; Behartigt het recht, en helpt den verdrukte, Geef den wees wat hem toekomt, neemt het voor de weduwe op!
18לכו נא ונוכחה יאמר יהוה אם יהיו חטאיכם כשנים כשלג ילבינו אם יאדימו כתולע כצמר יהיו׃
18Komt, dan maken wij er met elkander een eind aan, Spreekt Jahweh! Al zijn uw zonden als scharlaken, ze zullen wit zijn als sneeuw, Of rood als purper, ze zullen blank zijn als wol.
19אם תאבו ושמעתם טוב הארץ תאכלו׃
19Zo ge gewillig zijt en gehoorzaam, Zult ge het vette der aarde genieten;
20ואם תמאנו ומריתם חרב תאכלו כי פי יהוה דבר׃
20Maar zo ge blijft weigeren, en u verzetten, Zal het zwaard u verslinden, zegt Jahweh’s mond.
21איכה היתה לזונה קריה נאמנה מלאתי משפט צדק ילין בה ועתה מרצחים׃
21Ach, hoe is de trouwe, rechtschapen Stad ontuchtig geworden, Waar eens rechtvaardigen, nu moordenaars wonen.
22כספך היה לסיגים סבאך מהול במים׃
22Uw zilver is in afval veranderd, Uw wijn met water vervalst.
23שריך סוררים וחברי גנבים כלו אהב שחד ורדף שלמנים יתום לא ישפטו וריב אלמנה לא יבוא אליהם׃
23Uw vorsten rebellen, en heulend met dieven, Allen tuk op geschenken, en loerend op fooi; Den wees geven ze niet wat hem toekomt, Voor de weduwe neemt niemand het op.
24לכן נאם האדון יהוה צבאות אביר ישראל הוי אנחם מצרי ואנקמה מאויבי׃
24Daarom luidt de godsspraak des Heren, Van Jahweh der heirscharen, Israëls Sterke: Ha, Ik zal mijn woede koelen aan die Mij weerstreven, Mij op mijn vijanden wreken;
25ואשיבה ידי עליך ואצרף כבר סיגיך ואסירה כל בדיליך׃
25En op u zal Ik zwaar mijn hand laten drukken, U in de vuuroven louteren: De afval zuiveren Van al uw lood.
26ואשיבה שפטיך כבראשנה ויעציך כבתחלה אחרי כן יקרא לך עיר הצדק קריה נאמנה׃
26Dan zal Ik uw rechters weer maken als vroeger, Uw raadsheren weer als voorheen; Dan zult gij weer Stad der Gerechtigheid heten, Een veste van trouw!
27ציון במשפט תפדה ושביה בצדקה׃
27Dan zal Sion door gerechtigheid worden verzoend, Door rechtschapenheid zijn bewoners;
28ושבר פשעים וחטאים יחדו ועזבי יהוה יכלו׃
28Maar de afvalligen en zondaars worden allen verpletterd, Die Jahweh verzaken, vernield.
29כי יבשו מאילים אשר חמדתם ותחפרו מהגנות אשר בחרתם׃
29Dan zult ge u over de eiken schamen, waar ge zo naar verlangt, En over uw lusthoven blozen,
30כי תהיו כאלה נבלת עלה וכגנה אשר מים אין לה׃
30Wanneer ge zult zijn als een eik zonder blaren, Als een hof, die geen water meer heeft.
31והיה החסן לנערת ופעלו לניצוץ ובערו שניהם יחדו ואין מכבה׃
31De rijkdom zal zijn als de pluizen van vlas, Die hem heeft opgestapeld, de vonk; Beiden zullen verbranden, En niemand zal blussen.
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.