יְשַׁעְיָהוּ

New Testament

מתיוסנט מארקהבְּשׂוֹרָה הַקְּדוֹשָׁה עַל־פִּי לוּקָסג'וןמַעֲשֵׂי הַשְּׁלִיחִיםאִגֶּרֶת פּוֹלוֹס הַשָּׁלִיחַ אֶל־הָרוֹמִיִּיםאִגֶּרֶת פּוֹלוֹס הָרִאשׁוֹנָה אֶל־הַקּוֹרִנְתִּיִּיםאִגֶּרֶת פּוֹלוֹס הָשֵּׁנִית אֶל־הַקּוֹרִנְתִּיִיםאִגֶּרֶת פּוֹלוֹס הַשָּׁלִיחַ אֶל־הַגָּלָטִיִּיםאִגֶּרֶת פּוֹלוֹס הַשָּׁלִיחַ אֶל־הָאֶפְסִיִּיםאִגֶּרֶת פּוֹלוֹס הַשָּׁלִיחַ אֶל־הַפִּילִפִּיִּיםאִגֶּרֶת פּוֹלוֹס הַשָּׁלִיחַ אֶל־הַקּוֹלַסִּים1 סלוניס2 סלוניס1 טימותי2 טימותיאִגֶּרֶת פּוֹלוֹס אֶל־טִיטוֹסאִגֶּרֶת פּוֹלוֹס אֶל־פִּילֵימוֹןאִגֶּרֶת אֶל־הָעִבְרִיםאִגֶּרֶת יַעֲקֹבהָאִגֶּרֶת הָרִאשׁוֹנָה לְפֶטְרוֹס הַשָּׁלִיחַהָאִגֶּרֶת הַשֵּׁנִית לְפֶטְרוֹס הַשָּׁלִיחַהָאִגֶּרֶת הָרִאשׁוֹנָה לְיוֹחָנָן הַשָּׁלִיחַהָאִגֶּרֶת הַשֵּׁנִית לְיוֹחָנָן הַשָּׁלִיחַהָאִגֶּרֶת הַשְּׁלִישִׁית לְיוֹחָנָן הַשָּׁלִיחַאִגֶּרֶת יְהוּדָהחזוֹן יוֹחָנָן
Chapter 8
Modern Hebrew Bible
vs Petrus Canisius Bi…
Aa
Text size
Line width
Verse numbers

יְשַׁעְיָהוּ 8

Modern Hebrew Bible
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
1ויאמר יהוה אלי קח לך גליון גדול וכתב עליו בחרט אנוש למהר שלל חש בז׃
1Jahweh heeft mij gezegd: Neem een groot schrijftablet, en schrijf daarop het duidelijk schrift: “Spoedig-buit-roof-nabij”.
2ואעידה לי עדים נאמנים את אוריה הכהן ואת זכריהו בן יברכיהו׃
2Ik nam er twee vertrouwde getuigen bij: Oeri-ja, den priester, en Zekarjáhoe, den zoon van Jebérekjáhoe.
3ואקרב אל הנביאה ותהר ותלד בן ויאמר יהוה אלי קרא שמו מהר שלל חש בז׃
3Daarop ging ik tot de profetes; ze werd zwanger en baarde een zoon. En Jahweh zeide tot mij: Noem hem “Spoedig-buit-roof-nabij”.
4כי בטרם ידע הנער קרא אבי ואמי ישא את חיל דמשק ואת שלל שמרון לפני מלך אשור׃
4Want voordat de knaap “vader en moeder” kan zeggen, zal men de schatten van Damascus en de buit van Samaria voor den koning van Assjoer brengen.
5ויסף יהוה דבר אלי עוד לאמר׃
5Maar Jahweh zeide mij ook:
6יען כי מאס העם הזה את מי השלח ההלכים לאט ומשוש את רצין ובן רמליהו׃
6Omdat dit volk heeft veracht Het rustig vloeiend water van Siloë, En siddert van angst voor Resin en den zoon van Remaljáhoe:
7ולכן הנה אדני מעלה עליהם את מי הנהר העצומים והרבים את מלך אשור ואת כל כבודו ועלה על כל אפיקיו והלך על כל גדותיו׃
7Zie, daarom brengt de Heer over hen De geweldige en vreselijke wateren van de Eufraat, Den koning van Assjoer met heel zijn macht! Over al hun dijken zullen ze stuwen, En buiten al hun oevers treden,
8וחלף ביהודה שטף ועבר עד צואר יגיע והיה מטות כנפיו מלא רחב ארצך עמנו אל׃
8In Juda dringen, het geheel overstromen, Tot ze aan de hals komen staan; En met hun uitgespreide vleugels Zullen ze uw hele land overstelpen.
9רעו עמים וחתו והאזינו כל מרחקי ארץ התאזרו וחתו התאזרו וחתו׃
9God is met ons! Verneemt het volken, en staat versteld; Hoort het allen, verre landen! Gordt u ten strijde: ge wordt overwonnen, Gordt u aan: ge wordt overmeesterd;
10עצו עצה ותפר דברו דבר ולא יקום כי עמנו אל׃
10Smeedt plannen: ze worden verijdeld, Neemt een besluit: het wordt niet volbracht; Want God is met ons!
11כי כה אמר יהוה אלי בחזקת היד ויסרני מלכת בדרך העם הזה לאמר׃
11Zo heeft Jahweh tot mij gesproken, Toen Hij mijn hand heeft gevat, En mij heeft vermaand, De weg van dit volk niet te gaan.
12לא תאמרון קשר לכל אשר יאמר העם הזה קשר ואת מוראו לא תיראו ולא תעריצו׃
12Hij zeide: Noemt geen bedreiging, Wat dit volk bedreiging heet; Weest niet bang waarvoor zij vrezen, En laat het u niet verontrusten.
13את יהוה צבאות אתו תקדישו והוא מוראכם והוא מערצכם׃
13Neen, noemt Jahweh der heirscharen alleen uw bedreiging, Voor Hem moet ge vrezen en beven;
14והיה למקדש ולאבן נגף ולצור מכשול לשני בתי ישראל לפח ולמוקש ליושב ירושלם׃
14Hij is het, die dreigt; de steen, waaraan men zich stoot; Voor de beide huizen van Israël De rots, waarover men struikelt, Het net en de strik voor Jerusalems burgers.
15וכשלו בם רבים ונפלו ונשברו ונוקשו ונלכדו׃
15Ja, velen van hen zullen wankelen, vallen en breken, Worden verstrikt en gevangen.
16צור תעודה חתום תורה בלמדי׃
16Bewaar deze lessen zorgvuldig, En verzegel de lering, die ik u gaf:
17וחכיתי ליהוה המסתיר פניו מבית יעקב וקויתי לו׃
17Ik blijf op Jahweh vertrouwen, Op Hem blijf ik hopen, al verbergt Hij zich voor Jakobs huis!
18הנה אנכי והילדים אשר נתן לי יהוה לאתות ולמופתים בישראל מעם יהוה צבאות השכן בהר ציון׃
18Zie, ik en de kinderen, die Jahweh mij gaf, Zijn tekens en zinnebeelden in Israël, Gegeven door Jahweh der heirscharen, Die woont op de Sion.
19וכי יאמרו אליכם דרשו אל האבות ואל הידענים המצפצפים והמהגים הלוא עם אל אלהיו ידרש בעד החיים אל המתים׃
19En wanneer men u zegt: Ondervraagt de geesten der doden, En de waarzeggers, die lispelen en fluisteren; Moet een volk niet zijn goden ondervragen, Niet zijn doden voor de levenden vragen Naar lering en lessen:
20לתורה ולתעודה אם לא יאמרו כדבר הזה אשר אין לו שחר׃
20Waarachtig, die zo iets durft zeggen, Voor hem komt geen dageraad meer!
21ועבר בה נקשה ורעב והיה כי ירעב והתקצף וקלל במלכו ובאלהיו ופנה למעלה׃
21Hij zal blijven zwerven, Ellendig en hongerig; En door honger vertwijfeld, Zijn koning vervloeken en God. Radeloos schouwt hij omhoog,
22ואל ארץ יביט והנה צרה וחשכה מעוף צוקה ואפלה מנדח׃
22Dan blikt hij omlaag naar de grond: Zie, het zal schrik zijn en donker, Duister en angst.

Tip: use the ← and → keys to turn chapters.