Job
Chapter 16
Clementine Vulgate, 1598
vs Petrus Canisius Bi…
Aa
Text size
Line width
Verse numbers

Job 16

Clementine Vulgate, 1598
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
1Respondens autem Job, dixit:
1Job antwoordde, en sprak:
2[Audivi frequenter talia: consolatores onerosi omnes vos estis.
2Zulke beweringen heb ik nu al meer dan genoeg gehoord; Gij zijt allemaal onuitstaanbare troosters!
3Numquid habebunt finem verba ventosa? aut aliquid tibi molestum est, si loquaris?
3Komt er dan nooit een eind aan die bluf, Wat prikkelt u toch, om te praten?
4Poteram et ego similia vestri loqui, atque utinam esset anima vestra pro anima mea:
4Ik zou juist eender als gij kunnen spreken, Waart gij in mijn plaats; Mooie woorden tegen u kunnen zeggen, Het hoofd over u kunnen schudden;
5consolarer et ego vos sermonibus, et moverem caput meum super vos;
5U met de mond kunnen troosten, En met de lippen beklagen.
6roborarem vos ore meo, et moverem labia mea, quasi parcens vobis.
6Als ik spreek, wordt mijn leed er niet door verminderd; Maar wat komt er van mij, als ik zwijg?
7Sed quid agam? Si locutus fuero, non quiescet dolor meus, et si tacuero, non recedet a me.
7De kwaadwillige zou mij aanstonds weerloos maken En heel zijn bent greep mij aan;
8Nunc autem oppressit me dolor meus, et in nihilum redacti sunt omnes artus mei.
8Mijn lasteraar zou tegen mij getuigen, Tegen mij optreden, mij aanklagen;
9Rugæ meæ testimonium dicunt contra me, et suscitatur falsiloquus adversus faciem meam, contradicens mihi.
9Zijn toorn verscheurt en bestookt mij, Hij knerst de tanden tegen mij! Mijn tegenstanders zouden mij met hun ogen doorboren,
10Collegit furorem suum in me, et comminans mihi, infremuit contra me dentibus suis: hostis meus terribilibus oculis me intuitus est.
10Hun monden tegen mij opensperren, Smadelijk mij op de wangen slaan, Als één man tegen mij optrekken!
11Aperuerunt super me ora sua, et exprobrantes percusserunt maxillam meam: satiati sunt pœnis meis.
11Want God levert mij aan deugnieten over, En werpt mij in de handen der bozen;
12Conclusit me Deus apud iniquum, et manibus impiorum me tradidit.
12Ik leefde in vrede: Hij heeft me gebroken, Bij de nek gegrepen en neergesmakt; Hij heeft mij tot zijn doelwit gemaakt,
13Ego ille quondam opulentus, repente contritus sum: tenuit cervicem meam, confregit me, et posuit me sibi quasi in signum.
13Zijn pijlen snorren om mij heen; Meedogenloos doorboort Hij mijn nieren, En stort mijn gal over de bodem uit.
14Circumdedit me lanceis suis; convulneravit lumbos meos: non pepercit, et effudit in terra viscera mea.
14Hij schiet mij de ene bres na de andere, Als een krijgsheld stormt Hij op mij los;
15Concidit me vulnere super vulnus: irruit in me quasi gigas.
15Ik heb een rouwkleed over mijn huid genaaid, Mijn hoorn in het stof laten zakken;
16Saccum consui super cutem meam, et operui cinere carnem meam.
16Mijn gelaat is rood van het wenen, En over mijn wimpers ligt de schaduw des doods.
17Facies mea intumuit a fletu, et palpebræ meæ caligaverunt.
17Maar omdat er geen geweld aan mijn handen kleeft, Klinkt mijn rein gebed naar omhoog:
18Hæc passus sum absque iniquitate manus meæ, cum haberem mundas ad Deum preces.
18Aarde, houd mijn bloed niet bedekt En smoor mijn jammerklacht niet!
19Terra, ne operias sanguinem meum, neque inveniat in te locum latendi clamor meus:
19Maar nog leeft mijn Getuige in de hemel, Mijn pleitbezorger in den hoge!
20ecce enim in cælo testis meus, et conscius meus in excelsis.
20Mijn jammeren dringt door tot God, Mijn oog stort tranen voor zijn aanschijn.
21Verbosi amici mei: ad Deum stillat oculus meus:
21O, mocht er een scheidsrechter zijn tussen den mens en God, Als tussen den mens en zijn naaste!
22atque utinam sic judicaretur vir cum Deo, quomodo judicatur filius hominis cum collega suo.
22Want luttel zijn de jaren, die mij nog resten, Eer ik de weg bewandel, waarlangs men niet terugkeert.
23Ecce enim breves anni transeunt, et semitam per quam non revertar ambulo.]
no verse 23 in this text

Tip: use the ← and → keys to turn chapters.