Giobbe
Chapter 16
Diodati Bibbia 1885
vs Petrus Canisius Bi…
Aa
Text size
Line width
Verse numbers

Giobbe 16

Diodati Bibbia 1885
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
1E GIOBBE rispose e disse:
1Job antwoordde, en sprak:
2Io ho più volte udite le stesse cose; Voi tutti siete consolatori molesti.
2Zulke beweringen heb ik nu al meer dan genoeg gehoord; Gij zijt allemaal onuitstaanbare troosters!
3Finiranno mai le parole di vento? Ovvero, di che ti fai forte, che tu replichi ancora?
3Komt er dan nooit een eind aan die bluf, Wat prikkelt u toch, om te praten?
4Se l'anima vostra fosse nello stato dell'anima mia, Anch'io potrei parlar come voi, Mettere insieme parole contro a voi, E scuotervi il capo contra.
4Ik zou juist eender als gij kunnen spreken, Waart gij in mijn plaats; Mooie woorden tegen u kunnen zeggen, Het hoofd over u kunnen schudden;
5Ma anzi io vi conforterei con la mia bocca, E la consolazione delle mie labbra rallenterebbe il vostro dolore .
5U met de mond kunnen troosten, En met de lippen beklagen.
6Se io parlo, il mio dolore non però si rallenta; E se io resto di parlare , quanto se ne partirà egli da me?
6Als ik spreek, wordt mijn leed er niet door verminderd; Maar wat komt er van mij, als ik zwijg?
7Certo, egli ora mi ha straccato; E tu mi hai, o Dio , diserta tutta la mia brigata.
7De kwaadwillige zou mij aanstonds weerloos maken En heel zijn bent greep mij aan;
8E mi hai fatto diventar tutto grinzo, Il che è un testimonio del mio male ; La mia magrezza si leva contro a me, e mi testifica contra in faccia.
8Mijn lasteraar zou tegen mij getuigen, Tegen mij optreden, mij aanklagen;
9L'ira sua mi ha lacerato, ed egli procede contro a me da avversario; Egli digrigna i denti contro a me; Il mio nemico appunta i suoi occhi in me.
9Zijn toorn verscheurt en bestookt mij, Hij knerst de tanden tegen mij! Mijn tegenstanders zouden mij met hun ogen doorboren,
10Hanno aperta la bocca contro a me, Mi hanno battuto in su le guance per vituperio, Si sono adunati insieme contro a me.
10Hun monden tegen mij opensperren, Smadelijk mij op de wangen slaan, Als één man tegen mij optrekken!
11Iddio mi ha messo in poter del perverso, E mi ha fatto cader nelle mani degli empi.
11Want God levert mij aan deugnieten over, En werpt mij in de handen der bozen;
12Io era in istato tranquillo, ed egli mi ha rotto; E presomi per lo collo, mi ha tritato, E mi ha rizzato per suo bersaglio.
12Ik leefde in vrede: Hij heeft me gebroken, Bij de nek gegrepen en neergesmakt; Hij heeft mij tot zijn doelwit gemaakt,
13I suoi arcieri mi hanno intorniato; Egli mi trafigge le reni, e non mi risparmia punto; Egli mi ha sparso in terra il mio fiele.
13Zijn pijlen snorren om mij heen; Meedogenloos doorboort Hij mijn nieren, En stort mijn gal over de bodem uit.
14Egli mi rompe di rottura sopra rottura, Egli mi corre addosso come un possente uomo .
14Hij schiet mij de ene bres na de andere, Als een krijgsheld stormt Hij op mij los;
15Io ho cucito un sacco sopra la mia pelle, Ed ho lordato il mio splendore nella polvere.
15Ik heb een rouwkleed over mijn huid genaaid, Mijn hoorn in het stof laten zakken;
16La mia faccia è sucida di piangere, E l'ombra della morte è in su le mie palpebre;
16Mijn gelaat is rood van het wenen, En over mijn wimpers ligt de schaduw des doods.
17Quantunque non vi sia violenza nelle mie mani, E la mia orazione sia pura.
17Maar omdat er geen geweld aan mijn handen kleeft, Klinkt mijn rein gebed naar omhoog:
18O terra, non nascondere il sangue sparso da me; E se così è , il mio grido non abbia luogo.
18Aarde, houd mijn bloed niet bedekt En smoor mijn jammerklacht niet!
19Eziandio ora, ecco, il mio testimonio è ne' cieli; Il mio testimonio è ne' luoghi sovrani.
19Maar nog leeft mijn Getuige in de hemel, Mijn pleitbezorger in den hoge!
20O miei oratori, o amici miei, L'occhio mio si volge lagrimando a Dio.
20Mijn jammeren dringt door tot God, Mijn oog stort tranen voor zijn aanschijn.
21Oh! potesse pur l'uomo piatire con Dio, Come un uomo col suo compagno!
21O, mocht er een scheidsrechter zijn tussen den mens en God, Als tussen den mens en zijn naaste!
22Perciocchè i miei brevi anni se ne vanno forniti; Ed io me ne vo per un sentiero, onde non tornerò più.
22Want luttel zijn de jaren, die mij nog resten, Eer ik de weg bewandel, waarlangs men niet terugkeert.

Tip: use the ← and → keys to turn chapters.