Giobbe 10
Diodati Bibbia 1885Translation
Diodati Bibbia 1885
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
1L'anima mia si annoia della mia vita. Io mi lascerò scorrere addosso il mio lamento; Io parlerò nell'amaritudine dell'anima mia.
1Ik walg nu toch van het leven, En laat dus de vrije loop aan mijn klagen; Ik spreek in de bitterheid van mijn ziel,
2Io dirò a Dio: Non condannarmi; Fammi assapere perchè tu litighi meco.
2En zeg tot God: Behandel mij niet als een schuldige; Laat mij weten, waarom Gij tegen mij strijdt!
3Ti par egli ben fatto di oppressare, Di sdegnar l'opera delle tue mani, E di risplendere sopra il consiglio degli empi?
3Brengt het U voordeel, dat Gij verdrukt, Dat Gij het werk uwer handen verwerpt, Maar de plannen der bozen begunstigt?
4Hai tu occhi di carne? Vedi tu come vede l'uomo?
4Hebt Gij ogen van vlees, Ziet Gij, zoals mensen dat doen;
5Sono i tuoi giorni come i giorni dell'uomo mortale? Sono i tuoi anni come l'età umana?
5Zijn uw dagen als die van een sterveling, Uw jaren als de levensduur van een mens:
6Che tu faccia inchiesta della mia iniquità, E prenda informazione del mio peccato?
6Dat Gij op zoek zijt naar mijn schuld, En naar mijn zonden blijft vorsen,
7A te si appartiene di conoscere che io non son reo; E non vi è niuno che riscuota dalla tua mano.
7Ofschoon Gij weet, dat ik niet schuldig ben, En niemand mij uit uw hand kan redden?
8Le tue mani mi hanno formato e composto; E tu mi distruggi tutto quanto d'ogn'intorno.
8Uw eigen handen hebben mij gevormd en gewrocht, En nu zoudt Gij me weer gaan vernielen?
9Deh! ricordati che tu mi hai formato come dell'argilla; E tu mi fai ritornare in polvere.
9Bedenk toch, dat Gij mij als leem hebt gekneed: En Gij voert mij terug naar het stof?
10Non mi hai tu colato come latte, E fatto rappigliar come un cacio?
10Hebt Gij me niet als melk laten vloeien, En als kaas laten stremmen;
11Tu mi hai vestito di pelle e di carne E mi hai contesto d'ossa e di nervi.
11Mij niet bekleed met huid en met vlees, Met beenderen en spieren samengeweven?
12Tu mi hai data la vita, ed hai usata benignità inverso me; E la tua cura ha guardato lo spirito mio.
12In uw goedheid hebt Gij mij het leven geschonken Uw zorg heeft mijn adem bewaakt,
13E pur tu avevi riposte queste cose nel cuor tuo; Io conosco che questo era appo te.
13Maar dit was uw heimelijke toeleg daarbij, Ik weet, dat Gij dit hadt besloten:
14Se io ho peccato, tu mi hai notato, E non mi hai assolto della mia iniquità.
14Als ik zondigde, mij in het oog te houden, En mij mijn misdaad niet te vergeven;
15Se io sono stato reo, guai a me; E se son giusto, non però alzo il capo, Essendo sazio d'ignominia, e veggendo la mia afflizione;
15Was ik schuldig: Wee mij! En was ik onschuldig, Toch zou ik mijn hoofd niet mogen verheffen, Zat van smaad en gedrenkt met ellende!
16E se pur l'alzo, tu mi cacci a giusa di fiero leone, E torni a dimostrarti maraviglioso contro a me.
16Hief ik het op, Gij zoudt jacht op mij maken, als een luipaard, Mij telkens uw wondere macht laten voelen,
17Tu mi produci in faccia nuovi testimoni tuoi; Tu accresci la tua indegnazione contro a me; Eserciti a muta sono sopra me.
17Uw vijandschap jegens mij weer vernieuwen; Gij zoudt uw toorn op mij nog verdubbelen, Gij riept troepen en legers tegen mij op!
18Perchè dunque mi hai tratto fuor della matrice? Io vi sarei spirato, e l'occhio d'alcuno non mi avrebbe veduto.
18Waarom hebt Gij mij dan uit de schoot laten komen, Gaf ik de geest niet, eer een oog mij aanschouwde?
19Io sarei stato come se non avessi giammai avuto essere; Io sarei stato portato dal seno alla sepoltura.
19Dan was ik nu, als had ik nimmer bestaan, En was van de schoot naar het graf gedragen.
20I miei giorni non sono eglino poca cosa? cessa dunque, E rimanti da me, sì che io mi rinforzi un poco;
20Ach, mijn levensdagen zijn maar gering, Laat mij met rust, dat ik een weinig vreugde beleef,
21Avanti che io me ne vada alla terra delle tenebre, Dell'ombra della morte, onde mai non tornerò;
21Eer ik heenga, vanwaar ik niet terugkom, Naar het land van duisternis en schaduw des doods;
22Alla terra d'oscurità simile a caligine; D'ombra di morte, ove non è ordine alcuno; E la quale, quando fa chiaro, è simile a caligine.
22Naar het sombere land, waar wanorde heerst, De dag als een stikdonkere nacht!
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.