Job
Chapter 18
Clementine Vulgate, 1598
vs Petrus Canisius Bi…
Aa
Text size
Line width
Verse numbers

Job 18

Clementine Vulgate, 1598
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
1Respondens autem Baldad Suhites, dixit:
1Nu nam Bildad van Sjóeach het woord, en sprak:
2[Usque ad quem finem verba jactabitis? intelligite prius, et sic loquamur.
2Wanneer maakt gij eindelijk eens een eind aan uw praten, Wordt gij verstandig, en laat ons aan het woord;
3Quare reputati sumus ut jumenta, et sorduimus coram vobis?
3Waarom worden wij als vee beschouwd, En zijn wij zo dom in uw ogen?
4Qui perdis animam tuam in furore tuo, numquid propter te derelinquetur terra, et transferentur rupes de loco suo?
4Gij, die in uw woede uzelf verscheurt: Zou om uwentwil de aarde worden ontvolkt, Een rots van haar plaats verwijderd, Een berg van zijn grondslag gerukt?
5Nonne lux impii extinguetur, nec splendebit flamma ignis ejus?
5Waarachtig, het licht van den boze dooft uit, De vlam van zijn vuur blijft niet schijnen;
6Lux obtenebrescet in tabernaculo illius, et lucerna quæ super eum est extinguetur.
6Het licht wordt donker in zijn tent, De lamp gaat boven hem uit.
7Arctabuntur gressus virtutis ejus, et præcipitabit eum consilium suum.
7Zijn krachtige tred wordt verlamd, Zijn eigen beleid doet hem struikelen;
8Immisit enim in rete pedes suos, et in maculis ejus ambulat.
8Want door zijn eigen voeten wordt hij in het net gedreven, En wandelt hij over de mazen.
9Tenebitur planta illius laqueo, et exardescet contra eum sitis.
9Een klem grijpt zijn hiel, een net houdt hem vast.
10Abscondita est in terra pedica ejus, et decipula illius super semitam.
10Zijn strik ligt in de grond verborgen, een val op zijn pad;
11Undique terrebunt eum formidines, et involvent pedes ejus.
11Verschrikkingen beangstigen hem van alle kant, En vervolgen hem, stap voor stap.
12Attenuetur fame robur ejus, et inedia invadat costas illius.
12Het onheil hongert naar hem, De rampspoed staat aan zijn zijde gereed;
13Devoret pulchritudinem cutis ejus; consumat brachia illius primogenita mors.
13Zijn huid wordt door ziekte verteerd, De eersteling van de dood slokt zijn leden op.
14Avellatur de tabernaculo suo fiducia ejus, et calcet super eum, quasi rex, interitus.
14Hij wordt uit zijn tent gerukt, waar hij zich veilig waande, En zij sleept hem naar den vorst der verschrikking
15Habitent in tabernaculo illius socii ejus qui non est; aspergatur in tabernaculo ejus sulphur.
15Zij woont in zijn tent, die hem niet langer behoort, En over zijn woning wordt zwavel gestrooid.
16Deorsum radices ejus siccentur: sursum autem atteratur messis ejus.
16Van onderen verdorren zijn wortels, Van boven verwelken zijn twijgen;
17Memoria illius pereat de terra, et non celebretur nomen ejus in plateis.
17Zijn gedachtenis verdwijnt uit het land, Zelfs in de steppe heeft hij geen naam.
18Expellet eum de luce in tenebras, et de orbe transferet eum.
18Men stoot hem uit het licht de duisternis in, Men jaagt hem uit de wereld weg;
19Non erit semen ejus, neque progenies in populo suo, nec ullæ reliquiæ in regionibus ejus.
19Hij heeft onder zijn volk geen kroost, geen geslacht, In zijn woonplaats geen, die hem rest.
20In die ejus stupebunt novissimi, et primos invadet horror.
20Over zijn lot staat het Westen ontsteld, En het Oosten siddert er van:
21Hæc sunt ergo tabernacula iniqui, et iste locus ejus qui ignorat Deum.]
21Waarachtig, zo gaat het met het verblijf van den boze, Met de woonplaats van hem, die God miskent!

Tip: use the ← and → keys to turn chapters.