Job 36
Clementine Vulgate, 1598Translation
Clementine Vulgate, 1598
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
1Addens quoque Eliu, hæc locutus est:
1Vierde rede: mag de mens God ter verantwoording roepen? Elihoe vervolgde, en sprak:
2[Sustine me paululum, et indicabo tibi: adhuc enim habeo quod pro Deo loquar.
2Heb nog een weinig geduld, en ik zal u onderrichten, Want er valt nog genoeg ten gunste van de Godheid te zeggen;
3Repetam scientiam meam a principio, et operatorem meum probabo justum.
3Ik wil mijn kennis tot het uiterste voeren, Om mijn Schepper te rechtvaardigen.
4Vere enim absque mendacio sermones mei, et perfecta scientia probabitur tibi.
4Neen, mijn woorden liegen niet: Ge hebt met iemand te doen, die het eerlijk meent.
5Deus potentes non abjicit, cum et ipse sit potens:
5Ja, God is groot: Hij veracht den rechtschapene niet;
6sed non salvat impios, et judicium pauperibus tribuit.
6Machtig: Hij laat den boze niet leven! Hij verschaft aan de verdrukten hun recht,
7Non auferet a justo oculos suos: et reges in solio collocat in perpetuum, et illi eriguntur.
7Van de rechtvaardigen wendt Hij zijn ogen niet af; Hij zet ze bij koningen op de troon, Hoog plaatst Hij hun zetel voor eeuwig!
8Et si fuerint in catenis, et vinciantur funibus paupertatis,
8Maar worden zij in boeien geklonken, In koorden van ellende gevangen,
9indicabit eis opera eorum, et scelera eorum, quia violenti fuerunt.
9Dan brengt Hij hun daardoor hun gedrag onder het oog, En hun zonden uit hoogmoed ontstaan;
10Revelabit quoque aurem eorum, ut corripiat: et loquetur, ut revertantur ab iniquitate.
10Zo opent Hij hun oor ter belering, En vermaant ze, zich van hun ongerechtigheid te bekeren.
11Si audierint et observaverint, complebunt dies suos in bono, et annos suos in gloria:
11Wanneer ze dan luisteren, en Hem weer dienen, Dan slijten ze hun dagen in geluk, Hun jaren in weelde;
12si autem non audierint, transibunt per gladium, et consumentur in stultitia.
12Maar wanneer ze niet willen horen, Dan gaan ze heen naar het graf, En komen om door onverstand.
13Simulatores et callidi provocant iram Dei, neque clamabunt cum vincti fuerint.
13En de verstokten, die er toornig om worden, En niet smeken, als Hij ze bindt:
14Morietur in tempestate anima eorum, et vita eorum inter effeminatos.
14Zij sterven al in hun jeugd, Hun leven vliedt heen in de jonge jaren.
15Eripiet de angustia sua pauperem, et revelabit in tribulatione aurem ejus.
15Hij redt dus den ellendige door zijn ellende, En opent zijn oor door zijn nood!
16Igitur salvabit te de ore angusto latissime, et non habente fundamentum subter se: requies autem mensæ tuæ erit plena pinguedine.
16Zo trekt Hij ook u uit de muil van ellende Inplaats daarvan zal het onbekrompen overvloed zijn, En het genot van een dis, met vette spijzen beladen.
17Causa tua quasi impii judicata est: causam judiciumque recipies.
17Maar oordeelt gij geheel als een boze zijn gericht zal u treffen,
18Non te ergo superet ira ut aliquem opprimas: nec multitudo donorum inclinet te.
18Pas dus op, dat de wrevel u geen straf komt brengen, Waarvan de grootste losprijs u niet zou ontslaan;
19Depone magnitudinem tuam absque tribulatione, et omnes robustos fortitudine.
19Uw smeken tot Hem in de nood niets bereiken Al doet ge het ook uit al uw kracht.
20Ne protrahas noctem, ut ascendant populi pro eis.
20Laat de dwaasheid u toch niet bedriegen Om u te verheffen met hen, die wijs willen zijn;
21Cave ne declines ad iniquitatem: hanc enim cœpisti sequi post miseriam.
21Wacht u ervoor, u tot de zonde te wenden, Want hierdoor juist werdt gij door ellende bezocht!
22Ecce Deus excelsus in fortitudine sua, et nullus ei similis in legislatoribus.
22Zie, God is groot door zijn kracht: Wie is heerser als Hij?
23Quis poterit scrutari vias ejus? aut quis potest ei dicere: Operatus es iniquitatem?
23Wie schrijft Hem zijn weg voor, Wie zegt: Gij handelt verkeerd?
24Memento quod ignores opus ejus, de quo cecinerunt viri.
24Denk er aan, dat ook gij zijn daden verheft, Die de stervelingen moeten bezingen,
25Omnes homines vident eum: unusquisque intuetur procul.
25Die iedere mens moet overwegen, Ieder mensenkind van verre beschouwt.
26Ecce Deus magnus vincens scientiam nostram: numerus annorum ejus inæstimabilis.
26Zie, God is groot: wij begrijpen Hem niet, Het getal van zijn jaren is zelfs niet te schatten!
27Qui aufert stillas pluviæ, et effundit imbres ad instar gurgitum,
27Hij trekt uit de zee de druppels omhoog, Vervluchtigt de regen tot zijn nevel,
28qui de nubibus fluunt quæ prætexunt cuncta desuper.
28Die de wolken naar beneden doet stromen, En op alle mensen doet storten;
29Si voluerit extendere nubes quasi tentorium suum,
29Wie begrijpt de sprei van de wolken En de gedaante van zijn tent?
30et fulgurare lumine suo desuper, cardines quoque maris operiet.
30Zie, Hij spreidt zijn nevel uit over de zee, En houdt haar kolken bedekt.
31Per hæc enim judicat populos, et dat escas multis mortalibus.
31Want daarmee spijst Hij de volken En geeft Hij voedsel in overvloed.
32In manibus abscondit lucem, et præcepit ei ut rursus adveniat.
32In zijn handen verbergt Hij de bliksem, En zendt hem af op zijn doel;
33Annuntiat de ea amico suo, quod possessio ejus sit, et ad eam possit ascendere.]
33Zijn strijdkreet kondigt Hem aan, Zijn woede ontketent de storm!
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.