Hiob 18
Lutherbibel 1912Translation
Lutherbibel 1912
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
1Da antwortete Bildad von Suah und sprach:
1Nu nam Bildad van Sjóeach het woord, en sprak:
2Wann wollt ihr der Reden ein Ende machen? Merkt doch; darnach wollen wir reden.
2Wanneer maakt gij eindelijk eens een eind aan uw praten, Wordt gij verstandig, en laat ons aan het woord;
3Warum werden wir geachtet wie Vieh und sind so unrein vor euren Augen?
3Waarom worden wij als vee beschouwd, En zijn wij zo dom in uw ogen?
4Willst du vor Zorn bersten? Meinst du, daß um deinetwillen die Erde verlassen werde und der Fels von seinem Ort versetzt werde?
4Gij, die in uw woede uzelf verscheurt: Zou om uwentwil de aarde worden ontvolkt, Een rots van haar plaats verwijderd, Een berg van zijn grondslag gerukt?
5Und doch wird das Licht der Gottlosen verlöschen, und der Funke seines Feuers wird nicht leuchten.
5Waarachtig, het licht van den boze dooft uit, De vlam van zijn vuur blijft niet schijnen;
6Das Licht wird finster werden in seiner Hütte, und seine Leuchte über ihm verlöschen.
6Het licht wordt donker in zijn tent, De lamp gaat boven hem uit.
7Seine kräftigen Schritte werden in die Enge kommen, und sein Anschlag wird ihn fällen.
7Zijn krachtige tred wordt verlamd, Zijn eigen beleid doet hem struikelen;
8Denn er ist mit seinen Füßen in den Strick gebracht und wandelt im Netz.
8Want door zijn eigen voeten wordt hij in het net gedreven, En wandelt hij over de mazen.
9Der Strick wird seine Ferse halten, und die Schlinge wird ihn erhaschen.
9Een klem grijpt zijn hiel, een net houdt hem vast.
10Sein Strick ist gelegt in die Erde, und seine Falle auf seinem Gang.
10Zijn strik ligt in de grond verborgen, een val op zijn pad;
11Um und um wird ihn schrecken plötzliche Furcht, daß er nicht weiß, wo er hinaus soll.
11Verschrikkingen beangstigen hem van alle kant, En vervolgen hem, stap voor stap.
12Hunger wird seine Habe sein, und Unglück wird ihm bereit sein und anhangen.
12Het onheil hongert naar hem, De rampspoed staat aan zijn zijde gereed;
13Die Glieder seines Leibes werden verzehrt werden; seine Glieder wird verzehren der Erstgeborene des Todes.
13Zijn huid wordt door ziekte verteerd, De eersteling van de dood slokt zijn leden op.
14Seine Hoffnung wird aus seiner Hütte ausgerottet werden, und es wird ihn treiben zum König des Schreckens.
14Hij wordt uit zijn tent gerukt, waar hij zich veilig waande, En zij sleept hem naar den vorst der verschrikking
15In seiner Hütte wird nichts bleiben; über seine Stätte wird Schwefel gestreut werden.
15Zij woont in zijn tent, die hem niet langer behoort, En over zijn woning wordt zwavel gestrooid.
16Von unten werden verdorren seine Wurzeln, und von oben abgeschnitten seine Zweige.
16Van onderen verdorren zijn wortels, Van boven verwelken zijn twijgen;
17Sein Gedächtnis wird vergehen in dem Lande, und er wird keinen Namen haben auf der Gasse.
17Zijn gedachtenis verdwijnt uit het land, Zelfs in de steppe heeft hij geen naam.
18Er wird vom Licht in die Finsternis vertrieben und vom Erdboden verstoßen werden.
18Men stoot hem uit het licht de duisternis in, Men jaagt hem uit de wereld weg;
19Er wird keine Kinder haben und keine Enkel unter seinem Volk; es wird ihm keiner übrigbleiben in seinen Gütern.
19Hij heeft onder zijn volk geen kroost, geen geslacht, In zijn woonplaats geen, die hem rest.
20Die nach ihm kommen, werden sich über seinen Tag entsetzen; und die vor ihm sind, wird eine Furcht ankommen.
20Over zijn lot staat het Westen ontsteld, En het Oosten siddert er van:
21Das ist die Wohnung des Ungerechten; und dies ist die Stätte des, der Gott nicht achtet.
21Waarachtig, zo gaat het met het verblijf van den boze, Met de woonplaats van hem, die God miskent!
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.