Hiob 23
Lutherbibel 1912Translation
Lutherbibel 1912
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
1Hiob antwortete und sprach:
1Job antwoordde, en sprak:
2Meine Rede bleibt noch betrübt; meine Macht ist schwach über meinem Seufzen.
2Al weer heet mijn klagen verzet: Maar zijn hand dwingt mij tot zuchten!
3Ach daß ich wüßte, wie ich ihn finden und zu seinem Stuhl kommen möchte
3Ach, dat ik Hem vinden kon, En voor zijn troon kon verschijnen!
4und das Recht vor ihm sollte vorlegen und den Mund voll Verantwortung fassen
4Dan zette ik Hem mijn zaak uiteen, En vulde mijn mond met bewijzen;
5und erfahren die Reden, die er mir antworten, und vernehmen, was er mir sagen würde!
5Dan kende ik de woorden, waarmee Hij mij antwoordt, Vernam ik, wat Hij mij zegt.
6Will er mit großer Macht mit mir rechten? Er stelle sich nicht so gegen mich,
6Zou Hij zijn macht in het geding moeten brengen? Neen, als Hij slechts naar mij hoorde!
7sondern lege mir's gleich vor, so will ich mein Recht wohl gewinnen.
7Dan zou Hij bemerken dat er bij Hem een onschuldige pleit, En ik was voorgoed van mijn Rechter bevrijd!
8Aber ich gehe nun stracks vor mich, so ist er nicht da; gehe ich zurück, so spüre ich ihn nicht;
8Maar ga ik naar het oosten, Hij is er niet, Of naar het westen, ik bespeur Hem niet;
9ist er zur Linken, so schaue ich ihn nicht; verbirgt er sich zur Rechten, so sehe ich ihn nicht.
9Ik zoek Hem ten noorden, ik vind Hem niet, Wend mij naar het zuiden, ik zie Hem niet.
10Er aber kennt meinen Weg wohl. Er versuche mich, so will ich erfunden werden wie das Gold.
10Het is, omdat Hij mijn wandel kent Omdat ik als goud te voorschijn zou treden, als Hij mij toetst:
11Denn ich setze meinen Fuß auf seine Bahn und halte seinen Weg und weiche nicht ab
11Want mijn voet bleef steeds in zijn spoor, Ik hield zijn pad, en verliet het nooit!
12und trete nicht von dem Gebot seiner Lippen und bewahre die Rede seines Mundes mehr denn mein eigen Gesetz.
12Van het bevel zijner lippen week ik niet af, Het woord van zijn mond heb ik in mijn boezem bewaard:
13Doch er ist einig; wer will ihm wehren? Und er macht's wie er will.
13Maar wil Hij iets, wie kan Hem beletten, Begeert Hij iets, Hij voert het uit!
14Denn er wird vollführen, was mir bestimmt ist, und hat noch viel dergleichen im Sinne.
14Ja, Hij volbrengt, wat Hij over mij heeft besloten, Met al het andere, wat Hij heeft beschikt:
15Darum erschrecke ich vor ihm; und wenn ich's bedenke, so fürchte ich mich vor ihm.
15En daarom ben ik voor Hem zo bang, Sidder ik, als ik aan Hem denk.
16Gott hat mein Herz blöde gemacht, und der Allmächtige hat mich erschreckt.
16Het is God, die mijn hart murw heeft geslagen, De Almachtige, die mij verschrikt;
17Denn die Finsternis macht kein Ende mit mir, und das Dunkel will vor mir nicht verdeckt werden.
17Neen, niet door de duisternis ben ik ontsteld Niet door het donker, dat mijn gelaat bedekt!
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.