Hiob 32
Lutherbibel 1912Translation
Lutherbibel 1912
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
1Da hörten die drei Männer auf, Hiob zu antworten, weil er sich für gerecht hielt.
1Toen deze drie mannen het hadden opgegeven, Job te antwoorden, omdat hij zich in hun ogen gerechtvaardigd had,
2Aber Elihu, der Sohn Baracheels von Bus, des Geschlechts Rams, ward zornig über Hiob, daß er seine Seele gerechter hielt denn Gott.
2ontbrandde de toorn van Elihoe den zoon van Barakel, den Boeziet, uit het geslacht van Ram. Tegen Job ontbrandde zijn toorn, omdat hij zich tegenover God in het gelijk had gesteld;
3Auch ward er zornig über seine drei Freunde, daß sie keine Antwort fanden und doch Hiob verdammten.
3tegen zijn drie vrienden ontbrandde zijn toorn, omdat zij het juiste antwoord niet hadden gevonden, en daardoor God hadden beschuldigd.
4Denn Elihu hatte geharrt, bis daß sie mit Hiob geredet hatten, weil sie älter waren als er.
4Zolang zij met Job spraken, had Elihoe gewacht, omdat zij ouder waren dan hij.
5Darum, da er sah, daß keine Antwort war im Munde der drei Männer, ward er zornig.
5Maar nu Elihoe bemerkte, dat er uit de mond van de drie mannen geen antwoord meer kwam, ontbrandde zijn toorn.
6Und so antwortete Elihu, der Sohn Baracheels von Bus, und sprach: Ich bin jung, ihr aber seid alt; darum habe ich mich gescheut und gefürchtet, mein Wissen euch kundzutun.
6En Elihoe, de zoon van Barakel, den Boeziet, nam het woord en sprak: Ik ben jong van dagen, En gij zijt bejaard; Daarom was ik beschroomd en bevreesd, U mijn mening te zeggen.
7Ich dachte: Laß das Alter reden, und die Menge der Jahre laß Weisheit beweisen.
7Ik dacht: Laat de ouderdom spreken, De hoge leeftijd de wijsheid verkonden!
8Aber der Geist ist in den Leuten und der Odem des Allmächtigen, der sie verständig macht.
8Maar het is Gods geest in den mens, De adem van den Almachtige, die hem inzicht verleent;
9Die Großen sind nicht immer die Weisesten, und die Alten verstehen nicht das Recht.
9Het zijn dus niet de bejaarden, die wijs zijn, Niet de grijsaards, die weten wat recht is.
10Darum will ich auch reden; höre mir zu. Ich will mein Wissen auch kundtun.
10Daarom zeg ik: Luistert naar mij; Ik zal u verkonden, wat ik weet.
11Siehe, ich habe geharrt auf das, was ihr geredet habt; ich habe aufgemerkt auf eure Einsicht, bis ihr träfet die rechte Rede,
11Zie, ik heb gewacht op wat gij zoudt zeggen, En geluisterd naar uw betoog; Tot gij de juiste woorden zoudt vinden,
12und ich habe achtgehabt auf euch. Aber siehe, da ist keiner unter euch, der Hiob zurechtweise oder seiner Rede antworte.
12Heb ik u al mijn aandacht gewijd. Maar zie, niemand van u heeft Job weerlegd, Niemand zijn betoog beantwoord!
13Sagt nur nicht: “Wir haben Weisheit getroffen; Gott muß ihn schlagen, kein Mensch.”
13Zegt nu niet: We zijn op de wijsheid gestuit God, geen mens kan hem verslaan!
14Gegen mich hat er seine Worte nicht gerichtet, und mit euren Reden will ich ihm nicht antworten.
14Tegen mij heeft hij nog geen bewijzen gebracht, En met de uwen weerleg ik hem niet.
15Ach! sie sind verzagt, können nicht mehr antworten; sie können nicht mehr reden.
15Zij zijn verslagen, weten niets meer te zeggen, De woorden laten hen in de steek.
16Weil ich denn geharrt habe, und sie konnten nicht reden (denn sie stehen still und antworten nicht mehr),
16Ik heb gewacht, maar zij spreken niet, Ze staan daar, en hebben geen antwoord meer;
17will ich auch mein Teil antworten und will mein Wissen kundtun.
17Nu wil ik antwoorden op mijn beurt, Wil ik verkonden, wat ik weet!
18Denn ich bin der Reden so voll, daß mich der Odem in meinem Innern ängstet.
18Want ik ben geladen met woorden, En de geest in mijn binnenste prest mij er toe.
19Siehe, mein Inneres ist wie der Most, der zugestopft ist, der die neuen Schläuche zerreißt.
19Zie, mijn geest is als wijn, die niet kan gisten, En die nieuwe zakken doet bersten;
20Ich muß reden, daß ich mir Luft mache; ich muß meine Lippen auftun und antworten.
20Ik moet spreken, om wat lucht te krijgen, Mijn lippen openen, en antwoord geven.
21Ich will niemands Person ansehen und will keinem Menschen schmeicheln.
21Ik wil niemand naar de ogen zien, En niemand vleien, wie het ook is;
22Denn ich weiß nicht zu schmeicheln; leicht würde mich sonst mein Schöpfer dahinraffen.
22Want ik heb geen verstand van vleierij: Mijn Schepper rukte mij dan aanstonds weg!
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.