Job
Chapter 32
Bible Mutal (Kosraean)
vs Petrus Canisius Bi…
Aa
Text size
Line width
Verse numbers

Job 32

Bible Mutal (Kosraean)
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
1Ke sripen Job el tu na ku in nunku mu wangin ma koluk lal, oru mwet tolu ah tui ac tila srike in topkol.
1Toen deze drie mannen het hadden opgegeven, Job te antwoorden, omdat hij zich in hun ogen gerechtvaardigd had,
2Tusruktu Elihu, sie mwet su tu apkuran nu yoroltal, el koflana kutongya kasrkusrak lal, mweyen Job el sifacna pangon mu el wo ac el sis koluk uh nu sin God. (Elihu el wen natul Barakel, sie sin mwet in sruf lal Buz, ac el ma in sou lun Ram.)
2ontbrandde de toorn van Elihoe den zoon van Barakel, den Boeziet, uit het geslacht van Ram. Tegen Job ontbrandde zijn toorn, omdat hij zich tegenover God in het gelijk had gesteld;
3El oayapa kasrkusrak sin mwet kawuk tolu lal Job, mweyen wanginna ma eltal ku in sang topkol Job, oru oana in tuh sutuu sin God.
3tegen zijn drie vrienden ontbrandde zijn toorn, omdat zij het juiste antwoord niet hadden gevonden, en daardoor God hadden beschuldigd.
4Na ke sripen Elihu pa fusr emeet sin mwet ma tu in acn sac, oru el soano nwe ke na mwet nukewa tari ke sramsram uh.
4Zolang zij met Job spraken, had Elihoe gewacht, omdat zij ouder waren dan hij.
5Ke el liye lah mwet tolu ah tia ku in topkol Job, el arulana kasrkusrakak,
5Maar nu Elihoe bemerkte, dat er uit de mond van de drie mannen geen antwoord meer kwam, ontbrandde zijn toorn.
6ac mutawauk in kaskas. Pa inge kas lal: “Nga fusr, ac komtal matu, Oru nga tuh sangeng in fahk nunak luk uh.
6En Elihoe, de zoon van Barakel, den Boeziet, nam het woord en sprak: Ik ben jong van dagen, En gij zijt bejaard; Daarom was ik beschroomd en bevreesd, U mijn mening te zeggen.
7Nga sifacna fahk mu fal komtal in tukeni asramsrami, Ac fahk nunak lalmwetmet lomtal an, lah komtal pa matu.
7Ik dacht: Laat de ouderdom spreken, De hoge leeftijd de wijsheid verkonden!
8Tusruktu Ngun lun God Kulana Pa ac tuku nu sin mwet uh ac sang lalmwetmet nu selos.
8Maar het is Gods geest in den mens, De adem van den Almachtige, die hem inzicht verleent;
9Tia matwen mwet uh pa oru elos in lalmwetmet, Ku kasrelos in etu ma pwaye.
9Het zijn dus niet de bejaarden, die wijs zijn, Niet de grijsaards, die weten wat recht is.
10Ke ma inge, nga ke komtal in lohngyu, Ac lela ngan fahk nu sumtal ma nga nunku uh.
10Daarom zeg ik: Luistert naar mij; Ik zal u verkonden, wat ik weet.
11“Nga tuh mislana ac porongo ke komtal sramsram, Oayapa nga tupan ke komtal sukok kas lalmwetmet komtal in orekmakin.
11Zie, ik heb gewacht op wat gij zoudt zeggen, En geluisterd naar uw betoog; Tot gij de juiste woorden zoudt vinden,
12Ke nga lohang nu kac ah, nga konauk lah komtal munasla sel; Komtal tiana aksutueyela ma Job el fahk ah.
12Heb ik u al mijn aandacht gewijd. Maar zie, niemand van u heeft Job weerlegd, Niemand zijn betoog beantwoord!
13Efu ku komtal ku in fahk mu komtal konauk lalmwetmet? Enenuyuk God Elan topkol Job, mweyen komtal tuh koflana topkolla.
13Zegt nu niet: We zijn op de wijsheid gestuit God, geen mens kan hem verslaan!
14Job el tuh kaskas nu sumtal, ac tia nu sik, Tusruktu nga tiana ku in topkol oana ke komtal oru ah.
14Tegen mij heeft hij nog geen bewijzen gebracht, En met de uwen weerleg ik hem niet.
15“Job, wanginla ma eltal ku in fahk; Wanginna ma eltal ku in sang topuk kom.
15Zij zijn verslagen, weten niets meer te zeggen, De woorden laten hen in de steek.
16Mea, nga ac srakna tupan ke eltal misla tila sramsram uh? Eltal tu na ac wanginla ma eltal ku in sifilpa fahk.
16Ik heb gewacht, maar zij spreken niet, Ze staan daar, en hebben geen antwoord meer;
17Mo. Nga ac sot top luk sifacna nu sum, Ac fahkot ma nga nunku uh.
17Nu wil ik antwoorden op mijn beurt, Wil ik verkonden, wat ik weet!
18Nga arulana elyala ngan tari sramsram; Nga kofla kutongya kas luk uh.
18Want ik ben geladen met woorden, En de geest in mijn binnenste prest mij er toe.
19Nga fin tia eis pacl luk in sramsram, Nga ac fokelik oana sie pak in neinyuk wain ma sessesla ke wain sasu.
19Zie, mijn geest is als wijn, die niet kan gisten, En die nieuwe zakken doet bersten;
20Nga kofla muteng; enenu na nga in kaskas.
20Ik moet spreken, om wat lucht te krijgen, Mijn lippen openen, en antwoord geven.
21Nga ac fah tia wiwi mwet ke alein se inge; Nga ac tia yukin sie.
21Ik wil niemand naar de ogen zien, En niemand vleien, wie het ook is;
22Nga tia wi yukin mwet, Ac nga fin oru, God El ac sa na in kaiyu.
22Want ik heb geen verstand van vleierij: Mijn Schepper rukte mij dan aanstonds weg!

Tip: use the ← and → keys to turn chapters.