Hiob 40
Lutherbibel 1912Translation
Lutherbibel 1912
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
1Und der HERR antwortete Hiob und sprach:
1Nu vervolgde Jahweh tot Job, en sprak:
2Will mit dem Allmächtigen rechten der Haderer? Wer Gott tadelt, soll's der nicht verantworten?
2Zal nu de bediller van den Almachtige zwijgen; Of weet de vitter op God hier nog antwoord op?
3Hiob aber antwortete dem HERRN und sprach:
3Maar Job antwoordde Jahweh, en sprak:
4Siehe, ich bin zu leichtfertig gewesen; was soll ich verantworten? Ich will meine Hand auf meinen Mund legen.
4Ik ben lichtzinnig geweest: Wat zou ik hierop kunnen zeggen; Ik leg mijn hand op mijn mond.
5Ich habe einmal geredet, und will nicht antworten; zum andernmal will ich's nicht mehr tun.
5Ik heb eens gesproken, maar doe het niet weer; Tweemaal, maar ik begin niet opnieuw!
6Und der HERR antwortete Hiob aus dem Wetter und sprach:
6Maar Jahweh vervolgde, en sprak tot Job in de storm
7Gürte wie ein Mann deine Lenden; ich will dich fragen, lehre mich!
7Omgord uw lenden als een man, Ik zal u vragen stellen, gij moogt Mij leren!
8Solltest du mein Urteil zunichte machen und mich verdammen, daß du gerecht seist?
8Wilt ge ook nu nog mijn gerechtigheid loochenen, Mij in het ongelijk stellen, om gelijk te hebben?
9Hast du einen Arm wie Gott, und kannst mit gleicher Stimme donnern, wie er tut?
9Hebt ge dan een arm, zoals God, Kunt ge donderen met een stem als de zijne?
10Schmücke dich mit Pracht und erhebe dich; ziehe Majestät und Herrlichkeit an!
10Tooi u dan eens met grootheid en luister, Bekleed u met glorie en majesteit!
11Streue aus den Zorn deines Grimmes; schaue an die Hochmütigen, wo sie sind, und demütige sie!
11Stort eens uw toorn in stromen uit, En verneder, wat trots is, met uw blik;
12Ja, schaue die Hochmütigen, wo sie sind und beuge sie; und zermalme die Gottlosen, wo sie sind!
12Zie op alle hoogmoedigen neer, en trap ze ineen, Verpletter de bozen terstond;
13Verscharre sie miteinander in die Erde und versenke ihre Pracht ins Verborgene,
13Stop ze allen weg in de grond, Zet ze gevangen in het verborgen oord:
14so will ich dir auch bekennen, daß dir deine rechte Hand helfen kann.
14Dan zal Ik de eerste zijn, die u prijst, Omdat het uw rechterhand is, die u helpt!
15Siehe da, den Behemoth, den ich neben dir gemacht habe; er frißt Gras wie ein Ochse.
15Maar zie, daar staat het Nijlpaard, dat Ik heb geschapen, Het vreet gras als een rund.
16Siehe seine Kraft ist in seinen Lenden und sein Vermögen in den Sehnen seines Bauches.
16Zie eens, wat kracht in zijn lenden, Wat sterkte in de spieren van zijn buik!
17Sein Schwanz streckt sich wie eine Zeder; die Sehnen seiner Schenkel sind dicht geflochten.
17Hij spant zijn staart als een ceder, De spieren van zijn dijen tot een bundel;
18Seine Knochen sind wie eherne Röhren; seine Gebeine sind wie eiserne Stäbe.
18Zijn schonken zijn koperen buizen, Zijn knoken als ijzeren staven.
19Er ist der Anfang der Wege Gottes; der ihn gemacht hat, der gab ihm sein Schwert.
19Hij is het meesterwerk van God Gemaakt, om over zijn buurtschap te heersen!
20Die Berge tragen ihm Kräuter, und alle wilden Tiere spielen daselbst.
20Ja, de bergen brengen hem schatting, Met al het wild, dat daar speelt;
21Er liegt gern im Schatten, im Rohr und im Schlamm verborgen.
21Onder de lotus vleit hij zich neer, Verscholen in riet en moeras;
22Das Gebüsch bedeckt ihn mit seinem Schatten, und die Bachweiden umgeben ihn.
22Lotusstruiken beschutten hem met hun schaduw, De waterwilgen staan om hem heen;
23Siehe, er schluckt in sich den Strom und achtet's nicht groß; läßt sich dünken, er wolle den Jordan mit seinem Munde ausschöpfen.
23Al raast de stroom, hij is niet bang, Onverschrokken, al stijgt de Jordaan tot zijn muil.
24Fängt man ihn wohl vor seinen Augen und durchbohrt ihm mit Stricken seine Nase?
24Wie durft hem bij zijn ogen grijpen, Zijn neus met harpoenen doorboren!
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.