Job 21
Reina-Valera 1909Translation
Reina-Valera 1909
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
1Y RESPONDIÓ Job, y dijo:
1Job antwoordde, en sprak:
2Oid atentamente mi palabra, y sea esto vuestros consuelos.
2Luistert aandachtig naar wat ik ga zeggen; En dat uw troost zich daartoe bepale!
3Soportadme, y yo hablaré; y después que hubiere hablado, escarneced.
3Laat mij uitspreken op mijn beurt, Wanneer ik klaar ben, kunt ge spotten!
4¿Hablo yo á algún hombre? y ¿por qué no se ha de angustiar mi espíritu?
4Heb ik me soms over mensen beklaagd, Of heb ik geen grond, om mismoedig te zijn?
5Miradme, y espantaos, y poned la mano sobre la boca.
5Ziet mij aan, en staat verstomd, En legt uw hand op de mond!
6Aun yo mismo, cuando me acuerdo, me asombro, y toma temblor mi carne.
6Wanneer ik er aan denk, sta ik verbijsterd, En huivert mijn vlees:
7¿Por qué viven los impíos, y se envejecen, y aun crecen en riquezas?
7“Waarom blijven de bozen in leven Worden zij oud en groeien in kracht?”
8Su simiente con ellos, compuesta delante de ellos; y sus renuevos delante de sus ojos.
8Hun kroost gedijt voor hun aanschijn, Hun geslacht houdt stand voor hun ogen;
9Sus casas seguras de temor, ni hay azote de Dios sobre ellos.
9Hun huizen zijn veilig en zonder vrees, Gods roede valt er niet op neer.
10Sus vacas conciben, no abortan; paren sus vacas, y no malogran su cría.
10Hun stier bespringt en bevrucht, Hun koeien kalven en hebben geen misdracht;
11Salen sus chiquitos como manada, y sus hijos andan saltando.
11Als een kudde laten ze hun jongens naar buiten, En hun kinderen springen rond.
12Al son de tamboril y de cítara saltan, y se huelgan al son del órgano.
12Ze zingen bij pauken en citer, Vermaken zich bij de tonen der fluit;
13Gastan sus días en bien, y en un momento descienden á la sepultura.
13Ze slijten hun dagen in weelde, En dalen in vrede ten grave.
14Dicen pues á Dios: Apártate de nosotros, que no queremos el conocimiento de tus caminos.
14Toch zeggen ze tot God: Blijf verre van ons, We willen uw wegen niet kennen!
15¿Quién es el Todopoderoso, para que le sirvamos? ¿y de qué nos aprovechará que oremos á él?
15Wat is de Almachtige, dat we Hem zouden dienen; Wat baat het ons, te smeken tot Hem?
16He aquí que su bien no está en manos de ellos: el consejo de los impíos lejos esté de mí.
16Ligt hun geluk niet in hun eigen hand, Bemoeit Hij Zich wel met de plannen der bozen?
17¡Oh cuántas veces la lámpara de los impíos es apagada, y viene sobre ellos su quebranto, y Dios en su ira les reparte dolores!
17Hoe dikwijls gaat de lamp der bozen wel uit, En stort er rampspoed op hen neer? Hoe dikwijls vernielt Hij de slechten in zijn toorn, Grijpen de weeën hen aan in zijn gramschap;
18Serán como la paja delante del viento, y como el tamo que arrebata el torbellino.
18Worden zij als stro voor de wind, Als kaf, opgejaagd door de storm?
19Dios guardará para sus hijos su violencia; y le dará su pago, para que conozca.
19Gij zegt: God wreekt zijn misdaad op zijn kinderen, En zal hem zo zijn wraak laten voelen!
20Verán sus ojos su quebranto, y beberá de la ira del Todopoderoso.
20Maar zijn eigen ogen moesten zijn rampspoed aanschouwen, Zelf moest hij de toorn van den Almachtige drinken!
21Porque ¿qué deleite tendrá él de su casa después de sí, siendo cortado el número de sus meses?
21Want wat bekommert hij zich om zijn gezin na zijn dood, Wanneer het getal zijner maanden ten einde is?
22¿Enseñará alguien á Dios sabiduría, juzgando él á los que están elevados?
22Zou men soms God de les willen lezen, Hij, die de hemelingen richt?
23Este morirá en el vigor de su hermosura, todo quieto y pacífico.
23En de een gaat dood, geheel voldaan, Volkomen gelukkig en rustig,
24Sus colodras están llenas de leche, y sus huesos serán regados de tuétano.
24Zijn lenden vol vet, Het merg in zijn beenderen nog fris.
25Y estotro morirá en amargura de ánimo, y no habiendo comido jamás con gusto.
25De ander sterft met een verbitterd gemoed, Zonder ooit het geluk te hebben gesmaakt!
26Igualmente yacerán ellos en el polvo, y gusanos los cubrirán.
26Tezamen liggen ze neer in het stof, Door de wormen bedekt!
27He aquí, yo conozco vuestros pensamientos, y las imaginaciones que contra mí forjáis.
27Zeker, ik ken uw gedachten, En de bedenkingen, die gij tegen mij aanvoert;
28Porque decís: ¿Qué es de la casa del príncipe, y qué de la tienda de las moradas de los impíos?
28Gij zegt: “Waar is het huis van den tyran, Waar de tent, waar de bozen in wonen?”
29¿No habéis preguntado á los que pasan por los caminos, por cuyas señas no negaréis,
29Hebt gij de reizigers dan nooit ondervraagd, Of aanvaardt gij hun getuigenis niet:
30Que el malo es reservado para el día de la destrucción? Presentados serán en el día de las iras.
30“De boze blijft gespaard op de dag van verderf, En ontsnapt op de dag van de gramschap!”
31¿Quién le denunciará en su cara su camino? Y de lo que él hizo, ¿quién le dará el pago?
31Wie houdt hem zijn wandel voor ogen, Wie zet hem betaald wat hij deed?
32Porque llevado será él á los sepulcros, y en el montón permanecerá.
32Hij wordt ten grave gedragen, En een tombe houdt er de wacht.
33Los terrones del valle le serán dulces; y tras de él será llevado todo hombre, y antes de él han ido innumerables.
33Zacht ligt hij neer Op de kluiten in het dal; Heel de wereld trekt achter hem aan, Talloos velen lopen uit voor zijn stoet.
34¿Cómo pues me consoláis en vano, viniendo á parar vuestras respuestas en falacia?
34Wat is uw vertroosting dus schraal, Uw antwoord anders dan leugens!
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.