Job 8
Reina-Valera 1909Translation
Reina-Valera 1909
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
1Y RESPONDIÓ Bildad Suhita, y dijo:
1Nu nam Bildad van Sjóeach het woord, en sprak:
2¿Hasta cuándo hablarás tales cosas, y las palabras de tu boca serán como un viento fuerte?
2Hoe lang nog gaat ge zó voort, En zullen uw woorden als een stormwind loeien?
3¿Acaso pervertirá Dios el derecho, ó el Todopoderoso pervertirá la justicia?
3Zou God het recht soms verkrachten, De Almachtige de gerechtigheid schenden:
4Si tus hijos pecaron contra él, él los echó en el lugar de su pecado.
4Wanneer uw kinderen tegen Hem hebben gezondigd, Dan heeft Hij hun slechts hun misdaad vergolden!
5Si tú de mañana buscares á Dios, y rogares al Todopoderoso;
5Maar als gij uw toevlucht neemt tot God, En rein en oprecht tot den Almachtige smeekt:
6Si fueres limpio y derecho, cierto luego se despertará sobre ti, y hará próspera la morada de tu justicia.
6Dan zal Hij van stonde af over u waken, En schenkt Hij u weer een rechtschapen gezin;
7Y tu principio habrá sido pequeño, y tu postrimería acrecerá en gran manera.
7Dan schijnt uw vroeger lot slechts gering, Wordt ver door uw nieuwe staat overtroffen.
8Porque pregunta ahora á la edad pasada, y disponte para inquirir de sus padres de ellos;
8Ja, vraag het maar aan het voorgeslacht Geef acht op de bevinding van hun vaderen!
9Pues nosotros somos de ayer, y no sabemos, siendo nuestros días sobre la tierra como sombra.
9Want wij zijn van gisteren, en weten niets, Ons leven op aarde is enkel een schaduw;
10¿No te enseñarán ellos, te dirán, y de su corazón sacarán palabras?
10Maar zij zullen u leren, het u vertellen, En woorden spreken uit hun hart:
11¿Crece el junco sin lodo? ¿crece el prado sin agua?
11Schiet het riet op buiten het moeras, Groeien de biezen buiten het water?
12Aun él en su verdor no será cortado, y antes de toda hierba se secará.
12Het wordt afgesneden, terwijl het nog bloeit, En verdort vóór ieder ander gewas:
13Tales son los caminos de todos los que olvidan á Dios: y la esperanza del impío perecerá:
13Zo vergaat het allen, die God vergeten, Wordt de hoop van de bozen te schande!
14Porque su esperanza será cortada, y su confianza es casa de araña.
14Een herfstdraad is zijn vertrouwen, Zijn toeverlaat een spinneweb;
15Apoyaráse él sobre su casa, mas no permanecerá en pie; atendráse á ella, mas no se afirmará.
15Hij steunt op zijn web, maar dit houdt het niet uit, Hij grijpt het vast, maar het houdt geen stand.
16A manera de un árbol , está verde delante del sol, y sus renuevos salen sobre su huerto;
16Vol sappen staat hij in de zon, Zijn ranken verspreiden zich over zijn hof;
17Vanse entretejiendo sus raíces junto á una fuente, y enlazándose hasta un lugar pedregoso.
17Zijn wortels kronkelen zich over het grint, En tussen de stenen grijpt hij zich vast.
18Si le arrancaren de su lugar, éste negarále entonces, diciendo : Nunca te vi.
18Maar rukt men hem weg van zijn plaats, Dan verloochent ze hem:ik heb u nooit gezien!
19Ciertamente éste será el gozo de su camino; y de la tierra de donde se traspusiere , nacerán otros.
19Zo vergaat zijn leven door de mot Uit het stof ervan schieten anderen op.
20He aquí, Dios no aborrece al perfecto, ni toma la mano de los malignos.
20Neen, God verwerpt den brave niet, En reikt den boze geen hand.
21Aun henchirá tu boca de risa, y tus labios de júbilo.
21Nog wordt uw mond met lachen vervuld, En uw lippen met jubel;
22Los que te aborrecen, serán vestidos de confusión; y la habitación de los impíos perecerá.
22Maar uw haters worden met schande bedekt, De tent der bozen verdwijnt!
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.