Job
Chapter 6
Reina-Valera 1909
vs Petrus Canisius Bi…
Aa
Text size
Line width
Verse numbers

Job 6

Reina-Valera 1909
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
1Y RESPONDIÓ Job y dijo:
1Job antwoordde, en sprak:
2¡Oh si pesasen al justo mi queja y mi tormento, y se alzasen igualmente en balanza!
2Ach, mocht mijn wrevel worden gewogen, Maar tegelijk met mijn leed op de weegschaal gelegd:
3Porque pesaría aquél más que la arena del mar: y por tanto mis palabras son cortadas.
3Want omdat het zwaarder is dan het zand aan de zee, Daarom gingen ook mijn woorden de perken te buiten.
4Porque las saetas del Todopoderoso están en mí, cuyo veneno bebe mi espíritu; y terrores de Dios me combaten.
4Ja, de pijlen van den Almachtige blijven in mij steken, Mijn geest zuigt er het gif van op; De verschrikkingen Gods Stellen zich tegen mij in slagorde op!
5¿Acaso gime el asno montés junto á la hierba? ¿muge el buey junto á su pasto?
5Balkt soms de woudezel bij het gras Of loeit het rund bij zijn kribbe?
6¿Comeráse lo desabrido sin sal? ¿ó habrá gusto en la clara del huevo?
6Kan het laffe zonder zout worden gegeten, Of is er smaak aan het wit van een ei?
7Las cosas que mi alma no quería tocar, por los dolores son mi comida.
7Neen, ik weiger, het aan te raken, Ze zijn voor mij een walgelijke spijs!
8¡Quién me diera que viniese mi petición, y que Dios me otorgase lo que espero;
8Ach, dat mijn bede werd verhoord, En dat God mijn wens mocht vervullen;
9Y que pluguiera á Dios quebrantarme; que soltara su mano, y me deshiciera!
9Dat het God behaagde, mij te verpletteren, Zijn hand zich bewoog, om mij weg te maaien.
10Y sería aún mi consuelo, si me asaltase con dolor sin dar más tregua, que yo no he escondido las palabras del Santo.
10Dat zou een troost voor mij zijn, En ik danste ondanks mijn leed: “Hij spaart mij niet, Omdat ik den Heilige mijn wens niet verzweeg!”.
11¿Cuál es mi fortaleza para esperar aún? ¿y cuál mi fin para dilatar mi vida?
11Want wat is mijn kracht, dat ik nu nog zou wachten, Wat mijn uitzicht, dat ik langer zou leven?
12¿Es mi fortaleza la de las piedras? ¿ó mi carne, es de acero?
12Is mijn kracht soms als die van een steen, Is mijn vlees soms van brons?
13¿No me ayudo cuanto puedo, y el poder me falta del todo?
13Ben ik niet geheel van redding verstoken, Is iedere hulp mij niet ontzegd?
14El atribulado es consolado de su compañero: mas hase abandonado el temor del Omnipotente.
14Maar wie zijn vriend barmhartigheid weigert, Verzaakt de vrees voor den Almachtige!
15Mis hermanos han mentido cual arroyo: pasáronse como corrientes impetuosas,
15Toch zijn mijn broeders als een beek onbetrouwbaar, Als een stortbeek, die wegstroomt:
16Que están escondidas por la helada, y encubiertas con nieve;
16Die bedekt zijn met ijs, Of bedolven onder sneeuw;
17Que al tiempo del calor son deshechas, y en calentándose, desaparecen de su lugar;
17Zodra de hitte komt, drogen zij uit, Zodra het warm wordt, zijn ze verdwenen.
18Apártanse de la senda de su rumbo, van menguando y piérdense.
18Ze buigen af van de weg, die ze gaan, En verliezen zich in de woestijn;
19Miraron los caminantes de Temán, los caminantes de Saba esperaron en ellas:
19De karavanen van Tema zien er naar uit, De convooien van Sjeba hebben er hun hoop op gevestigd:
20Mas fueron avergonzados por su esperanza; porque vinieron hasta ellas, y halláronse confusos.
20Maar ze worden in hun verwachting beschaamd, Staan bij hun aankomst te schande.
21Ahora ciertamente como ellas sois vosotros: que habéis visto el tormento, y teméis.
21Zo zijt gij voor mij nu geworden: Gij aanschouwt mijn ellende, en beangst deinst gij terug!
22¿Os he dicho yo: Traedme, y pagad por mí de vuestra hacienda;
22Heb ik gevraagd: Geeft mij iets ten geschenke, Of staat mij van uw vermogen iets af;
23Y libradme de la mano del opresor, y redimidme del poder de los violentos?
23Of redt mij uit de hand van den vijand, Bevrijdt mij uit de greep der tyrannen?
24Enseñadme, y yo callaré: y hacedme entender en qué he errado.
24Neen, onderricht mij, en dan zal ik zwijgen; Laat mij inzien, waarin ik heb gedwaald!
25¡Cuán fuertes son las palabras de rectitud! Mas ¿qué reprende el que reprende de vosotros?
25Hoe zoet zijn woorden, die oprecht zijn gemeend, Maar hoe grievend de berisping van u!
26¿Pensáis censurar palabras, y los discursos de un desesperado, que son como el viento?
26Meent gij, mijn woorden te moeten berispen: Woorden van een wanhopige, die in de wind zijn gesproken?
27También os arrojáis sobre el huérfano, y hacéis hoyo delante de vuestro amigo.
27Wilt gij het lot over een onschuldige werpen, En de staf breken over uw vriend?
28Ahora pues, si queréis, mirad en mí, y ved si miento delante de vosotros.
28Welnu dan, wilt mij aanhoren:Ik lieg u toch niet in het gezicht.
29Tornad ahora, y no haya iniquidad; volved aún á considerar mi justicia en esto.
29Bezint u, en laat er geen onrecht geschieden; Bezint u, mijn onschuld zal blijken!
30¿Hay iniquidad en mi lengua? ¿no puede mi paladar discernir las cosas depravadas?
30Is er soms onrecht op mijn tong, Of kan mijn gehemelte de rampen niet proeven;

Tip: use the ← and → keys to turn chapters.