Job
Chapter 19
Reina-Valera 1909
vs Petrus Canisius Bi…
Aa
Text size
Line width
Verse numbers

Job 19

Reina-Valera 1909
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
1Y RESPONDIÓ Job, y dijo:
1Job antwoordde, en sprak:
2¿Hasta cuándo angustiaréis mi alma, y me moleréis con palabras?
2Hoe lang nog blijft gij mij krenken, En mij onder woorden verpletteren?
3Ya me habéis vituperado diez veces: ¿no os avergonzáis de descomediros delante de mí?
3Tien keer beschimpt gij mij reeds, En kwelt gij mij schaamteloos.
4Sea así que realmente haya yo errado, conmigo se quedará mi yerro.
4Zelfs al had ik mij werkelijk misdragen, Dan raakt het wangedrag mij alleen;
5Mas si vosotros os engrandeciereis contra mí, y adujereis contra mí mi oprobio,
5Gij mist het recht, een grote mond tegen mij op te zetten, Mijn schande mij te verwijten!
6Sabed ahora que Dios me ha trastornado, y traído en derredor su red sobre mí.
6Erkent toch eindelijk, dat God mij kastijdt, En mij in zijn net heeft verstrikt!
7He aquí yo clamaré agravio, y no seré oído: daré voces, y no habrá juicio.
7Zie, ik roep: “Geweld!” maar vind geen verhoring, Ik roep om hulp: mij geschiedt geen recht!
8Cercó de vallado mi camino, y no pasaré; y sobre mis veredas puso tinieblas.
8Hij heeft mijn weg versperd: ik kan niet voorbij, En duisternis op mijn paden gelegd;
9Hame despojado de mi gloria, y quitado la corona de mi cabeza.
9Mijn eer heeft Hij mij ontroofd, De kroon mij van het hoofd gerukt.
10Arruinóme por todos lados, y perezco; y ha hecho pasar mi esperanza como árbol arrancado .
10Hij heeft mij van alle kant ondermijnd: en daar ga ik heen; Mijn hoop ontworteld als een boom,
11E hizo inflamar contra mí su furor, y contóme para sí entre sus enemigos.
11Zijn gramschap tegen mij laten woeden, Mij als zijn vijand behandeld.
12Vinieron sus ejércitos á una, y trillaron sobre mí su camino, y asentaron campo en derredor de mi tienda.
12Als één man rukken zijn benden aan, En banen hun weg naar mij heen; Ze legeren zich rond mijn tent, Ze zijn zonder genade!
13Hizo alejar de mí mis hermanos, y positivamente se extrañaron de mí mis conocidos.
13Mijn broeders houden zich verre van mij, Mijn bekenden zijn vreemden voor mij;
14Mis parientes se detuvieron, y mis conocidos se olvidaron de mí.
14Mijn verwanten verdwenen, Mijn gasten zijn mij vergeten.
15Los moradores de mi casa y mis criadas me tuvieron por extraño: forastero fuí yo en sus ojos.
15Mijn slavinnen zien mij aan voor een vreemde, Ik ben een onbekende voor haar;
16Llamé á mi siervo, y no respondió; de mi propia boca le suplicaba.
16Ik roep mijn slaaf: hij geeft mij geen antwoord, Zelfs al smeek ik er om.
17Mi aliento vino á ser extraño á mi mujer, aunque por los hijos de mis entrañas le rogaba.
17Mijn vrouw walgt van mijn adem, En ik stink voor mijn zonen;
18Aun los muchachos me menospreciaron: en levantándome, hablaban contra mí.
18Zelfs de kinderen minachten mij, En brutaliseren mij, als ik optreed.
19Todos mis confidentes me aborrecieron; y los que yo amaba, se tornaron contra mí.
19Al mijn getrouwen verafschuwen mij, Die ik liefhad, keren zich van mij af;
20Mi cuero y mi carne se pegaron á mis huesos; y he escapado con la piel de mis dientes.
20Mijn vlees teert weg in mijn huid Met mijn tanden knaag ik mijn beenderen af.
21Oh vosotros mis amigos, tened compasión de mí, tened compasión de mí; porque la mano de Dios me ha tocado.
21Erbarming, erbarming: gij tenminste, mijn vrienden, Want de hand van God heeft mij geraakt;
22¿Por qué me perseguís como Dios, y no os hartáis de mis carnes?
22Waarom mij als een hert vervolgen, Nooit verzadigd aan mijn vlees!
23¡Quién diese ahora que mis palabras fuesen escritas! ¡quién diese que se escribieran en un libro!
23O, werden mijn woorden opgeschreven, Opgetekend in een boek,
24¡Que con cincel de hierro y con plomo fuesen en piedra esculpidas para siempre!
24Met een stift van ijzer en lood Voor eeuwig op een rots gegrift:
25Yo sé que mi Redentor vive, y al fin se levantará sobre el polvo:
25Ik weet, dat mijn Verlosser leeft, En ten leste op de aarde verschijnt;
26Y después de deshecha esta mi piel, aun he de ver en mi carne á Dios;
26Dat ik mij zal oprichten achter mijn huid, En van mijn vlees uit, God zal aanschouwen!
27Al cual yo tengo de ver por mí, y mis ojos lo verán, y no otro, aunque mis riñones se consuman dentro de mí.
27Ja, ik zal Hem aanschouwen, Mijn ogen zullen Hem zien, maar niet meer als vijand; Mijn nieren smachten in mijn schoot,
28Mas debierais decir: ¿Por qué lo perseguimos? ya que la raíz del negocio en mí se halla.
28En wanneer gij dan zegt: Hoe vervolgen we hem, Welk voorwendsel zullen we tegen hem vinden;
29Temed vosotros delante de la espada; porque sobreviene el furor de la espada á causa de las injusticias, para que sepáis que hay un juicio.
29Ducht dan het zwaard voor uzelf, Want dan zal de Gramschap de bozen verdelgen! Om te weten, of er gerechtigheid is!

Tip: use the ← and → keys to turn chapters.