욥기
Chapter 9
Korean Bible, 1910 (한국어 …
vs Petrus Canisius Bi…
Aa
Text size
Line width
Verse numbers
Korean Bible, 1910 (한국어 성경)
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
1욥이 대답하여 가로되
1Job antwoordde, en sprak:
2내가 진실로 그 일이 그런 줄을 알거니와 인생이 어찌 하나님 앞에 의로우랴
2Zeker, ik weet wel, dat het zo is; Maar hoe kan een mens tegenover God in zijn recht zijn?
3사람이 하나님과 쟁변하려 할지라도 천 마디에 한 마디도 대답하지 못하리라
3Wanneer hij Hem ter verantwoording wil roepen, Geeft Hij niet eens op de duizendmaal antwoord;
4하나님은 마음이 지혜로우시고 힘이 강하시니 스스로 강퍅히 하여 그를 거역하고 형통한 자가 누구이랴
4Wie heeft den Alwijze en den Almachtige Ooit ongedeerd getrotseerd?
5그가 진노하심으로 산을 무너뜨리시며 옮기실지라도 산이 깨닫지 못하며
5Hem, die bergen verzet, en ze merken het niet, Ze onderstboven keert in zijn toorn;
6그가 땅을 움직여 그 자리에서 미신즉 그 기둥이 흔들리며
6Die de aarde op haar plaats doet schudden, Haar zuilen trillen ervan;
7그가 해를 명하여 뜨지 못하게 하시며 별들을 봉하시며
7Die de zon bevel geeft, niet te stralen, En de sterren onder een zegel legt!
8그가 홀로 하늘을 펴시며 바다 물결을 밟으시며
8Die de hemel uitspant, Hij alleen, En voortschrijdt over de golven der zee;
9북두성과 삼성과 묘성과 남방의 밀실을 만드셨으며
9Die Grote Beer en Orion schiep, Plejaden en het Zuiderkruis;
10측량할 수 없는 큰 일을, 셀 수 없는 기이한 일을 행하시느니라
10Die grootse, ondoorgrondelijke dingen wrocht, En talloze wonderen!
11그가 내 앞으로 지나시나 내가 보지 못하며 그가 내 앞에서 나아 가시나 내가 깨닫지 못하느니라
11Zie, Hij gaat mij voorbij, en ik zie het niet, Hij glijdt langs mij heen, ik bemerk het niet;
12하나님이 빼앗으시면 누가 막을 수 있으며 무엇을 하시나이까 ? 누가 물을 수 있으랴
12Rooft Hij: Wie zal Hem weerhouden? Wie Hem zeggen: Wat doet Gij?
13하나님이 진노를 돌이키지 아니하시나니 라합을 돕는 자들이 그 아래 굴복하겠거든
13God, die zijn gramschap niet weerhoudt: Zelfs Ráhabs helpers moesten zich onder Hem krommen!
14하물며 내가 감히 대답하겠으며 무슨 말을 택하여 더불어 변론하랴
14Hoe zou ik Hem dan ter verantwoording roepen, Mijn woorden tegenover Hem vinden?
15가령 내가 의로울지라도 감히 대답하지 못하고 나를 심판하실 그에게 간구하였을 뿐이며
15Ik, die geen antwoord krijg, al heb ik ook recht, Maar mijn Rechter om genade moet smeken;
16가령 내가 그를 부르므로 그가 내게 대답하셨을지라도 내 음성을 들으셨다고는 내가 믿지 아니하리라
16En al gaf Hij mij antwoord, als ik riep, Dan geloof ik niet, dat Hij naar mij zou luisteren.
17그가 폭풍으로 나를 꺾으시고 까닭없이 내 상처를 많게 하시며
17Hij, die mij vertrapt om een kleinigheid En mijn smarten vermeerdert om niet;
18나로 숨을 쉬지 못하게 하시며 괴로움으로 내게 채우시는구나
18Hij, die mij niet op adem laat komen, Maar mij met bitter wee overstelpt.
19힘으로 말하면 그가 강하시고 심판으로 말하면 누가 그를 호출 하겠느냐 ?
19Gaat het om kracht: Hij is er, de Sterke! Gaat het om recht: Wie klaagt Hem aan?
20가령 내가 의로울지라도 내 입이 나를 정죄하리니 가령 내가 순전할지라도 나의 패괴함을 증거하리라
20Al had ik ook recht, zijn mond veroordeelde mij; Al was ik onschuldig, Hij verklaarde mij schuldig!
21나는 순전하다마는 내가 나를 돌아보지 아니하고 내 생명을 천히 여기는구나
21Ben ik onschuldig? Ik weet het zelf nu niet meer. Ik verfoei mijn bestaan: Het is mij allemaal één!
22일이 다 일반이라 그러므로 나는 말하기를 하나님이 순전한 자나 악한 자나 멸망시키신다 하나니
22Maar daarom roep ik het uit: Onschuldigen en schuldigen slaat Hij neer!
23홀연히 재앙이 내려 도륙될 때에 무죄한 자의 고난을 그가 비웃으시리라
23Wanneer zijn gesel plotseling doodt, Lacht Hij met de vertwijfeling van de onschuldigen;
24세상이 악인의 손에 붙이웠고 재판관의 얼굴도 가리워졌나니 그렇게 되게 한 이가 그가 아니시면 누구이뇨 ?
24Is het land aan bozen overgeleverd, Hij bindt nog een blinddoek op het gelaat van de rechters: Want zo Hij het niet doet, Wie doet het dan wel?
25나의 날이 체부보다 빠르니 달려가므로 복을 볼 수 없구나
25Zo vliegen mijn dagen voorbij, Sneller nog dan een ijlbode; Zo vluchten ze weg, Zonder geluk te aanschouwen;
26그 지나가는 것이 빠른 배 같고 움킬 것에 날아 내리는 독수리와도 같구나
26Ze schieten heen als schepen van riet, Als een adelaar, die zich werpt op zijn prooi.
27가령 내가 말하기를 내 원통함을 잊고 얼굴 빛을 고쳐 즐거운 모양을 하자 할지라도
27Denk ik, ik wil mijn jammer vergeten, Weer vrolijk schijnen en blij,
28오히려 내 모든 고통을 두려워하오니 주께서 나를 무죄히 여기지 않으실 줄을 아나이다
28Dan ben ik weer bang voor al mijn smarten, Wetend, dat Gij mij niet voor onschuldig houdt.
29내가 정죄하심을 입을진대 어찌 헛되이 수고하리이까 ?
29En wanneer ik dan toch schuldig moet zijn, Waarom doe ik mijn best, om niet?
30내가 눈녹은 물로 몸을 씻고 잿물로 손을 깨끗이 할지라도
30Al was ik mij nog zo schoon met sneeuw, En reinig mijn handen met zeep,
31주께서 나를 개천에 빠지게 하시리니 내 옷이라도 나를 싫어하리이다
31Toch ploft Gij mij neer in het vuil, Zodat mijn kleren van mij walgen.
32하나님은 나처럼 사람이 아니신즉 내가 그에게 대답함도 불가하고 대질하여 재판할 수도 없고
32Neen, Gij zijt geen mens, zoals ik, dien ik ter verantwoording roep, Zodat wij te zamen voor de rechtbank verschijnen!
33양척 사이에 손을 얹을 판결자도 없구나
33Ach, mocht er een scheidsrechter tussen ons zijn, Die zijn hand op ons beiden kon leggen;
34주께서 그 막대기를 내게서 떠나게 하시고 그 위엄으로 나를 두렵게 하지 아니하시기를 원하노라
34Die Gods roede van mij weg zou nemen, Zodat de schrik voor Hem mij niet deerde:
35그리하시면 내가 두려움 없이 말하리라 나는 본래 그런 자가 아니니라
35Dan zou ik spreken zonder Hem te vrezen; Maar nu er geen is, neem ik het op voor mijzelf!

Tip: use the ← and → keys to turn chapters.