Jób
Chapter 9
Kralice Bible (1613)
vs Petrus Canisius Bi…
Aa
Text size
Line width
Verse numbers

Jób 9

Kralice Bible (1613)
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
1Odpověděv pak Job, řekl:
1Job antwoordde, en sprak:
2I ovšem vím, žeť tak jest; nebo jak by mohl člověk spravedliv býti před Bohem silným?
2Zeker, ik weet wel, dat het zo is; Maar hoe kan een mens tegenover God in zijn recht zijn?
3A chtěl-li by se hádati s ním, nemohl by jemu odpovědíti ani na jedno z tisíce slov.
3Wanneer hij Hem ter verantwoording wil roepen, Geeft Hij niet eens op de duizendmaal antwoord;
4Moudrého jest srdce a silný v moci. Kdo zatvrdiv se proti němu, pokoje užil?
4Wie heeft den Alwijze en den Almachtige Ooit ongedeerd getrotseerd?
5On přenáší hory, než kdo shlédne, a podvrací je v prchlivosti své.
5Hem, die bergen verzet, en ze merken het niet, Ze onderstboven keert in zijn toorn;
6On pohybuje zemí z místa jejího, tak že se třesou sloupové její.
6Die de aarde op haar plaats doet schudden, Haar zuilen trillen ervan;
7On když zapovídá slunci, nevychází, a hvězdy zapečeťuje.
7Die de zon bevel geeft, niet te stralen, En de sterren onder een zegel legt!
8On roztahuje nebe sám, a šlapá po vlnách mořských.
8Die de hemel uitspant, Hij alleen, En voortschrijdt over de golven der zee;
9On učinil Arktura, Oriona, Kuřátka a hvězdy skryté na poledne.
9Die Grote Beer en Orion schiep, Plejaden en het Zuiderkruis;
10On činí věci veliké, a to nevystižitelné a divné, jimž není počtu.
10Die grootse, ondoorgrondelijke dingen wrocht, En talloze wonderen!
11Ano jde-li mimo mne, tedy nevidím; ovšem když pomíjí, neznamenám ho.
11Zie, Hij gaat mij voorbij, en ik zie het niet, Hij glijdt langs mij heen, ik bemerk het niet;
12Tolikéž jestliže co uchvátí, kdo mu to rozkáže navrátiti? Kdo dí jemu: Co činíš?
12Rooft Hij: Wie zal Hem weerhouden? Wie Hem zeggen: Wat doet Gij?
13Nezdržel-li by Bůh hněvu svého, klesli by před ním spolu spuntovaní, jakkoli mocní.
13God, die zijn gramschap niet weerhoudt: Zelfs Ráhabs helpers moesten zich onder Hem krommen!
14Jakž bych já tedy jemu odpovídati, a jaká slova svá proti němu vyhledati mohl?
14Hoe zou ik Hem dan ter verantwoording roepen, Mijn woorden tegenover Hem vinden?
15Kterémuž, bych i spravedliv byl, nebudu odpovídati, ale před soudcím svým pokořiti se budu.
15Ik, die geen antwoord krijg, al heb ik ook recht, Maar mijn Rechter om genade moet smeken;
16Ač bych pak i volal, a on mi se ozval, neuvěřím, aby vyslyšel hlas můj,
16En al gaf Hij mij antwoord, als ik riep, Dan geloof ik niet, dat Hij naar mij zou luisteren.
17Poněvadž vichřicí setřel mne, rozmnožil rány mé bez příčiny.
17Hij, die mij vertrapt om een kleinigheid En mijn smarten vermeerdert om niet;
18Aniž mi dá oddechnouti, ale sytí mne hořkostmi.
18Hij, die mij niet op adem laat komen, Maar mij met bitter wee overstelpt.
19Obrátil-li bych se k moci, aj, onť jest nejsilnější; pakli k soudu, kdo mi rok složí?
19Gaat het om kracht: Hij is er, de Sterke! Gaat het om recht: Wie klaagt Hem aan?
20Jestliže se za spravedlivého stavěti budu, ústa má potupí mne; pakli za upřímého, převráceného mne býti ukáží.
20Al had ik ook recht, zijn mond veroordeelde mij; Al was ik onschuldig, Hij verklaarde mij schuldig!
21Jsem-li upřímý, nebudu věděti toho; nenáviděti budu života svého.
21Ben ik onschuldig? Ik weet het zelf nu niet meer. Ik verfoei mijn bestaan: Het is mij allemaal één!
22Jediná jest věc, pročež jsem to mluvil, že upřímého jako bezbožného on zahlazuje.
22Maar daarom roep ik het uit: Onschuldigen en schuldigen slaat Hij neer!
23Jestliže bičem náhle usmrcuje, zkušování nevinných se posmívá;
23Wanneer zijn gesel plotseling doodt, Lacht Hij met de vertwijfeling van de onschuldigen;
24Země dána bývá v ruku bezbožného, tvář soudců jejich zakrývá: jestliže ne on, kdož jiný jest?
24Is het land aan bozen overgeleverd, Hij bindt nog een blinddoek op het gelaat van de rechters: Want zo Hij het niet doet, Wie doet het dan wel?
25Dnové pak moji rychlejší byli nežli posel; utekli, aniž viděli dobrých věcí.
25Zo vliegen mijn dagen voorbij, Sneller nog dan een ijlbode; Zo vluchten ze weg, Zonder geluk te aanschouwen;
26Pominuli jako prudké lodí, jako orlice letící na pastvu.
26Ze schieten heen als schepen van riet, Als een adelaar, die zich werpt op zijn prooi.
27Dím-li: Zapomenu se na své naříkání, zanechám horlení svého, a posilím se:
27Denk ik, ik wil mijn jammer vergeten, Weer vrolijk schijnen en blij,
28Lekám se všech bolestí svých, vida, že mne jich nezprostíš.
28Dan ben ik weer bang voor al mijn smarten, Wetend, dat Gij mij niet voor onschuldig houdt.
29Jestli jsem bezbožný, pročež bych nadarmo pracoval?
29En wanneer ik dan toch schuldig moet zijn, Waarom doe ik mijn best, om niet?
30Ano bych se i umyl vodou sněžnou, a očistil mýdlem ruce své,
30Al was ik mij nog zo schoon met sneeuw, En reinig mijn handen met zeep,
31Tedy v jámě pohřížíš mne, tak že se ode mne zprzní i to roucho mé.
31Toch ploft Gij mij neer in het vuil, Zodat mijn kleren van mij walgen.
32Nebo Bůh není člověkem jako já, jemuž bych odpovídati mohl, a abychom vešli spolu v soud.
32Neen, Gij zijt geen mens, zoals ik, dien ik ter verantwoording roep, Zodat wij te zamen voor de rechtbank verschijnen!
33Aniž máme prostředníka mezi sebou, kterýž by rozhodl nás oba.
33Ach, mocht er een scheidsrechter tussen ons zijn, Die zijn hand op ons beiden kon leggen;
34Kdyby odjal ode mne prut svůj, a strach jeho aby mne nekormoutil,
34Die Gods roede van mij weg zou nemen, Zodat de schrik voor Hem mij niet deerde:
35Tehdáž bych mluvil, a nebál bych se, poněvadž není toho tak při mně.
35Dan zou ik spreken zonder Hem te vrezen; Maar nu er geen is, neem ik het op voor mijzelf!

Tip: use the ← and → keys to turn chapters.