Йова 28
Kulish and Puluj Bible (1905)Translation
Kulish and Puluj Bible (1905)
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
1Так! срібло має початкову жилу, й золото своє місце, де його плавлють.
1Zeker, er is een plaats, waaruit het zilver komt, Een oord, waar het goud wordt gewassen,
2Залїзо добувають із землї, а мідь витоплюють із каміння.
2Het ijzer uit de bodem gehaald, De steen tot koper gesmolten;
3(Чоловік) робить кінець тьмі й пильно шукає за (таким) каменем у мороцї й найглухійшій темнотї.
3Waar men in de uiterste duisternis doordringt, En de diepste plekken doorvorst. In de rotsen, duister en somber.
4Пробивають закоп у місцях, де не постала нога; спускаючись, висять і сумують далеко від людей.
4Worden schachten gehakt door een volk, dat er niet hoort, Dat door de wandelaars wordt vergeten, Daar ver van de mensen hangt en zweeft;
5Земля, де хлїб росте, у нутрі розрита, неначе огнем.
5En de aarde, waaruit het brood ontspruit, Wordt in haar ingewanden omgewoeld als door vuur.
6Камінь її — то сафир із золотими крупцями.
6Haar rotsen zijn de plaats van saffier, Haar stof bevat goud;
7Стежки туди не знає хижа птиця, й не зазирнуло туди око яструба;
7De arend kent er de weg niet heen, Het valkenoog bespeurt hem niet;
8Не топтали її левчуки, й не ходив по нїй шакаль.
8De roofdieren betreden hem niet, De luipaard gaat er niet heen.
9На граніт накладає він (чоловік) руку свою, з коренем перевертає гори.
9De mens slaat zijn hand aan de harde steen, Woelt de bergen om van hun grondslag af,
10В скелях прорубує канали, й все дорогоцїнне вбачає око його.
10Breekt gangen in de rotsen uit, Niets kostbaars ontsnapt aan zijn oog;
11Зупиняє протоки бурчаків і, що заховано в тьмі, все те на сьвітло виносить.
11Hij zoekt de bronnen der stromen af, En brengt wat verborgen lag aan het licht.
12А де ж мудрість знайти? і де є місце розуму?
12Maar de wijsheid, waar is zij te vinden, En waar is het oord van het inzicht?
13Чоловік не знає цїни її, й не знаходиться вона на землї живих.
13De mens kent er de weg niet heen, In het land der levenden bevindt ze zich niet.
14Безодня говорить: Не в менї вона; та й море каже: Не в мене!
14De afgrond roept: In mij is ze niet! De zee herhaalt: Ze is niet bij mij!
15Не продається вона за золото та й не вимінюєсь її за срібло ваговите;
15Zij wordt niet gekocht voor het fijnste goud, Geen zilver gewogen, om haar te betalen;
16Не в цїнї вона з золотом Офирським, нї з дорогоцїнним ониксом, нї з сафіром.
16Zij wordt niet geschat tegen goud van Ofir, Tegen kostbare onyx, noch saffier;
17Не рівняєсь із нею золото й кришталь, та й не виміняєш її за посуди щирозолоті.
17Geen goud, geen glaswerk kan haar evenaren, Geen gouden vaas is haar prijs.
18А про коралї та перли й згадувати нїщо; здобути премудрість — цїннїйш над рубини.
18Paarlen en kristal zijn naast haar niet in tel, Het vinden der wijsheid gaat dat van koralen te boven;
19Ба й топаз Етиопський їй не рівня; щирим золотом не цїнуєсь вона.
19Topaas van Koesj kan het niet bij haar halen, Het zuiverst goud weegt niet tegen haar op.
20Звідки ж береся премудрість? і де є місце розуму?
20De wijsheid, waar komt zij vandaan; Het inzicht, waar is zijn plaats?
21Від усього, що живе, скрита вона, ба не догледить її й птаство піднебесне.
21Zij ligt verborgen voor het oog van al wat leeft, Verscholen voor de vogels in de lucht;
22Правда, безодня та смерть говорять: до ушей наших доходила чутка про неї;
22De onderwereld en dood roepen uit: Onze oren hebben enkel van haar bij geruchte gehoord.
23Але тільки Бог знає тропу до неї та знає й місце її.
23Het is God, die de weg naar haar kent, Hij alleen weet, waar zij toeft.
24Він бо прозирає всї концї сьвіту, й що під небом, він вбачає.
24Want Hij blikte tot aan de grenzen der aarde, Zag al wat onder de hemel bestond:
25Як він визначив вітрові вагу й водї давав міру,
25Toen Hij het gewicht van de wind bepaalde, De maat voor het water bestemde;
26Коли вказував дощам закон, а блискавицям дорогу, —
26Toen Hij de regen zijn wet gaf, En de donder zijn weg.
27Тодї він бачив її й явив її, й приспособив її, та навчив ще й слїдити її,
27Toen aanschouwde Hij haar en verkondigde haar, Kende Hij haar en doorgrondde haar;
28І сказав чоловіку: Страх Господень — се справдїшня премудрість тобі; берегтись злого — се розум.
28Maar Hij sprak tot den mens: Zie, de vreze des Heren is wijsheid, En het kwade te mijden is inzicht!
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.